Een reis naar Oost-Indië in 1817

0
1348

Maarten Fornerod en Kees Takkenberg

Vanaf 1815 vertrokken talloze militairen vanuit Nederland naar Oost-Indië en veel van hen werden stamvaders van een Indo-Europees geslacht. De IGV is bezig met een indexeringsproject om alle namen van deze militairen in kaart te brengen (help ons hier!).

In de beginjaren van ons huidige koninkrijk waren deze militairen nodig om het Nederlandse gezag te herstellen na de roerige tijd rond de eeuwwisseling. De VOC ging formeel failliet in maart 1798 en Nederland was in de ban van de Franse revolutie. Indië kwam eerst onder Bataafs/Frans (1795-1811) en daarna onder Engels gezag (1811-1816).

Nog voor de slag om Waterloo werd volgens het verdrag van Londen (13 augustus 1814) overeen gekomen dat Indië weer in Nederlands bezit zou komen. In grote lijnen kennen we de geschiedenis van die tijd.

Waar we veel minder vanaf weten is de persoonlijke beleving van de uitgezonden militairen. Waarom traden zij in dienst? Hoe verliep de reis? Wat ging er in hen om? De bronnen uit die vroege periode zijn op de vingers van één hand te tellen.

Eén springt er echter uit. Een verslag van een anonieme soldaat die in 1817 dienst neemt in het Oost-Indisch leger en zijn overtocht beschrijft. Hij heeft zich aangemeld in Harderwijk als gewoon soldaat maar de tekst getuigt van een brede ontwikkeling, een scherpe geest en kennis van de klassieke oudheid.

Niet voor niets kenschetst historicus M.P. Bossenbroek in zijn boek Van Holland naar Indië (1) het werk als een cryptische voor een militair opmerkelijk dichterlijke sfeertekening.

Bataviasche Courant, 20 september 1820.

Zijn reisverslag heeft de vorm van een brief aan een vriend en werd in eerste instantie in 1820 gepubliceerd als driedelig feuilleton in De Bataviasche Courant getiteld De reis naar Oost-Indië met als ondertitel Uit de papieren van eenen te Soerabaija overleden soldaat (2).  Het laatste deel werd afgesloten met de droge mededeling; Uit het duitsch.

Vijfentwintig jaar later, in 1845, werd het verhaal opgepikt door het Indisch Magazijn en nogmaals woordelijk gepubliceerd (3), behalve die allerlaatste toevoeging.

De tekst van dit reisverslag geeft een aardig inzicht in het leven van een gewoon soldaat op weg naar Oost-Indië. Tegelijkertijd roept de tekst allerlei vragen op. Wij hebben geprobeerd sommige fragmenten te duiden.  Sommige aan de hand van feiten, andere door middel van waarschijnlijkheden. Een link naar de originele tekst vindt u onderaan dit artikel.

Het is onduidelijk of de in Soerabaya overleden soldaat de schrijver is of de ontvanger van de brief. De schrijver lijkt het meest waarschijnlijk omdat de brief gericht lijkt naar een ontvanger in Europa, en geschreven is na aankomst in Indië. Maar het is zelfs mogelijk dat het een fictief verhaal is, in dat geval kunnen we wel spreken van een meesterwerk vanwege de vele overtuigende details.

Zoals bekend verbleven soldaten en onderofficieren in die jaren meestal “tussendeks”, een ruimte binnen in het schip waar je amper kon staan en waar daglicht ontbrak (1). Manschappen hadden twee vierkante meter tot hun beschikking, waar ook nog hun bagagekist stond. Ze sliepen in hangmatten boven hun bezittingen.

Maar de schrijver blijft liefst daar vandaan. Hij leert in de scheepsmast te klimmen en brengt daar een groot deel van zijn tijd door.

Ik  had  mij  in  den  tijd  dat  wij  aan  boord waren geoefend in de mars [scheepsmast] te klimmen en smaakte, terwijl er beneden een luidruchtige vrolijkheid en danspartij plaats had, een der zoetste uren die mij immer te  beurt vielen.

En filosofeert:

Daar is iets duurzaam dichterlijks in het bevaren der zee. Gij ziet rondom u een element, dat aan uwe zinnen geen voedsel geeft en juist daarom tot geheimzinnige gedachten noopt. De zee zelve is een geheim, waarvan gij even weinig het nut als de diepte doorgronden kunt. Ziet gij dan den veegen kiel de golven breken en het zilte bruisende nat in het opspatten eenen gestaag zich hernieuwenden regenboog vormen , terwijl nu en dan een bewoner der diepte zich als een gast uit eene andere wereld aan uw oog vertoont, dan vergeet gij ligtelijk den naren hoop menschen die u omringt en die , daar hij zoo eng zamengedrukt is, onophoudelijk zich schuurt, joelt, krakeelt en vloekt.

Als hij niet in de mast zit vindt hij andere rustige plekken:

Konde ik daar niet wezen, dan lag ik aan de loefzijde van het schip in de rust. Hoe zoet heb ik hier dikwijls geslapen, onder het geruisch der golven en beschermd door de hand der geleidster. Ook dikwijls sliep ik in de groote mars , waar ik op het laatst roekeloos, zonder mij zelfs vast te binden, mijn leven aan de roergangers toevertrouwde; want bij eene valsche wending van het schip, die de onbedrevenheid of kwaadwilligheid van de roergangers ligt veroorzaakt, zoude ik ongetwijfeld in zee gevallen zijn.

De reis verloopt niet vlekkeloos. Eén keer breekt er brand uit door onvoorzichtigheid bij het aftappen van jenever en later komt het schip in zwaar weer.

Nadat wij de Kaap verkend hadden, zetten wij het op St. Paul en Amsterdam [Eilandjes Zuidelijke-Indische Oceaan] aan, en omtrent op de hoogte daarvan gekomen , kregen wij voor  de  eerste maal zwaar  weder. Dit   veranderde weldra  tot een woedende  storm, die 4 dagen  duurde. 

Deze storm miste zijn uitwerking op de troepen niet:

Al die groote schreeuwers en vloekers zijn tot rust gebracht, en liggen meestal zeeziek in de kooijen. Nu en dan kijkt er een met een beangst  gezigt  uit het  luik, komt al steunende boven en kruipt langs het dek, daar zijne bevreesdheid hem niet toelaat overeind te komen. Dit brengt den glimlach  op  het gezigt van den matroos, die echter ook niet meer zijne gewone duizend vloeken laat hooren. Het fluitje vervangt de donderende stem  van  den  bootsman. Alleen de kok schijnt in de algemeene neerslagtigheid niet te deelen. Geen wonder! Hij is bevrijd van het koken, daar ieder gaarn met een stuk beschuit zich tevreden stelt.

Op het hoogtepunt van de storm neemt de schipper noodmaatregelen:

Ten 4 ure en in het gezigt van een der eilanden van St. Paul en Amsterdam, barst op eens de storm in volle hevigheid uit. Een steng komt van boven, de zeilen scheuren en ik hoor den schipper aan den overste zeggen: “Om Godswil, mijnheer , zorg dat uwe lieden in 5 minuten beneden zijn.”

Ik verschuil mij tusschen de kombuis en eenig vaatwerk, en ontga het dus om, zonder de sporten van de ladder te tellen, in het ruim neergeploft te worden. Men spijkert de luiken digt, en de matrozen zijn allen met het grootste lijfsgevaar bezig de zeilen te bergen, terwijl de bedaarde schipper op het halfdek staat en met waren heldenmoed de bewegingen van den kiel en van zijn volk bestuurt. Thans hoor ik van voren roepen: “Piet de Jager is overboord!” En ik hoor den schipper zeggen: “God wille hem helpen; ik kan het niet.”

Nadat er voor de tweede keer brand uitbreekt, die weer kan worden geblust, komt het schip in rustiger vaarwater en bereikt Java vanuit het zuiden.

Wij kregen Java den 11den in het gezigt en zeilden den volgenden dag langs de zuidkust van dit eiland, waarop wij straat Sunda inliepen en op den 14den ter reede Batavia kwamen. Gedurende dien kleinen togt langs de zuidkust van Java en straat Sunda was ik als betooverd van de schoonheid der natuur in deze streken. Er heerscht aan het zuiderstrand langs hetwelk wij zeer digt met eenen zachten wind zeilden, eene onafgebrokene stilte; het land is geheel en al onbewoond, maar schijnt ten uiterste vruchtbaar. Zelfs de toppen der rotsen zijn met het weligste groen bedekt.

De schrijver bewondert het landschap en vraagt zich af waarom deze kusten zo dunbevolkt zijn.

Men antwoordt mij : Hygea [de godin van de gezondheid] haat deze stranden en daarom schuwen wij dezelve.

Dit antwoord overtuigt de schrijver niet echt:

Maar waarom huisvest gij dan in de plassen die de Rijn schiep? Waarom hinderen u de moerassen van Suriname niet en waaromstrijdt gij sedert eeuwen tegen de moordende  lucht  van  Jakatra’s hoofdstad, die, helaas ! met  eenen  al  te luisterrijke naam praalt?

Want hij constateert:

 Nergens een spoor van dorheid of kwijning; het is meer dan lente, een eeuwige zomer heerscht alom.

En daarmee eindigt het geschrift, dat dus “tussen de papieren van een in Soerabaija overleden soldaat” gevonden zou zijn.

Kunnen we de motieven van de schrijver achterhalen waarom hij aanmonsterde? Het begin van de tekst bevat enkele cryptische aanwijzigen:

Na uw vertrek uit Keulen maakten de maatregelen onzer vrienden ook mij het leven tot een last. Doch daar ik huiverde mij bloot te stellen aan de gevaren der losscheuring, en ik de behoeften en ontberingen vreesde van een leven zoo als gij omhelsd hadt, hield ik het nog eenigen tijd uit. Echter, het laatse voornemen stuitte mij en nog drie anderen zoo zeer, dat wij besloten ons te verwijderen.

De brief is dus gericht aan iemand die uit Keulen vertrok en dat vertrek verkoos ondanks te verwachten ontberingen. Wie maakte omstreeks 1817 in Keulen een bepaalde groep het leven tot een last?

Ik gaf aan deze braven de hand en ieder ging zijen weg. Weldra overtuigde ik mij, even als gij, dat voor mij aan geen onderkomen in geheel ……… te denken was en doorliep daarop de Nederlanden. Doch, ook hier was voor mij geen plaatsje open.

Waar staan de stipjes voor? Waar begint zijn voettocht?

Reeds was ik van zin de Vrije Staten [Verenigde Staten] op te zoeken, toen ik op den buitenkant [Amsterdam] den goeden H. ontmoette. Hij was zeer ingenomen [vijandig] tegen u en mij, dien hij met Zwitsersche oploopendheid den naam van eerloozen toeduwde, en eerst op mijne aanmerking, dat hij dit met zijne twee épauletten en in een vreemd land ongestraft aan eenen weerloze zeggen kon, kwam hij tot zich zelven.

Het was niet ongebruikelijk dat men naar Indië vertrok vanwege  een misdaad, een bankroet (schande voor de familie), maar de schrijver noemt hier een aantal mensen [“mij en drie anderen”]. Klaarblijkelijk heeft zijn vertrek te maken met iets dat een hele groep betrof! De schrijver en degene aan wie hij schrijft worden eerloos genoemd. Dit doet aan desertie denken.

Toen gaf hij mij brieven voor den Haag en hoewel hij zijne hand niet uitstak om mij vaarwel, misschien voor eeuwig, te zeggen, wenschten mij zijne oogen meer dan de ingetoomde mond sprak. Ik werd in den Haag door den majoor, dien ik hier als solliciteur vond…

Troepen werden aangeworven door compagniescommandanten die in feite opereerden als militaire ondernemers. De betaling geschiedde door solliciteurs-militair,  kleine (soms ook grote) bankiers die als tussenpersonen tussen de overheid en de troepen fungeerden.

… wel ontvangen, en begaf mij van daar naar Harderwijk, waar ik als gemeene dienst nam onder de Nederlandsche koloniale troepen. Verschoon mij van de beschrijving eener levenswijze, die gij al te wel kent, en sta mij toe u enkel mijne lotgevallen sedert het inschepen voor Vlissingen te verhalen.

En dat is alles wat hij ons te melden heeft over zijn voorgeschiedenis. Cryptisch en mysterieus.

Misschien was hij een deserteur. Of een opstandige student, lid van de in 1815 in Jena opgerichte “Urburschenschaft” en de daaruit voortkomende “Allgemeine Deutsche Burschenschaft”, een vereniging van liberale studenten die in 1817 te Wartburg voor de Duitse eenwording pleitte en bij de “Karlsbader Beschlüsse” in 1819 verboden werd.

Zijn we in staat om de identiteit van de schrijver aan de hand van een aantal biografische gegevens en een aantal door hem genoemde feitelijkheden te achterhalen?

De ik-persoon spreekt meedere talen en vertrekt “den 4den” 1817 uit Vlissingen met een “matig groot driemastschip”. In 1817 vertrekken slechts drie schepen met koloniale troepen uit Vlissingen: de Tromp op 16 maart, de Selima op 5 of 11 april (4) en de Fortitudo of Fortitude op 4 of 11 april (4). De Selima en de Tromp varen een route via Rio de Janeiro (5), en de Fortitude volgt een meer westelijke koers langs de Afrikaanse kust, zoals blijkt uit een uitgewisselde brief nabij de evenaar.

Rotterdamsche Courant, 29 juli 1817 (link)

De genoemde positie van de Fortitude van 3°21’N, 10°W is ongeveer 200 km uit de kust van het huidige Liberia in West-Afrika, iets ten noorden van de evenaar. De auteur schijft over dit stuk van de reis:

Wij ontdekten in de nabijheid der linie [evenaar] een zeil en ik schreef in der haast een briefje met potlood, in de hoop, dat het een naar europa terugkeerend schip zoude zijn. Dit was gelukkig zoo. Men praaide elkander, en gaf wederzijds brieven over, en ik heb naderhand met vreugde gehoord, dat ook mijn briefje teregt is gekomen.

En verderop:

Een gedurig regenweêr deed ons tusschen de linie en de kaap vele zieken aan boord krijgen. Ik was zoo veel·mogelijk op het dek en weerstond door jenever met Kinatinctuur te drinken, waarmede een der stuurlieden mij rijkelijk voorzag […].

En:

[Ook vermaakte ik mij om] met den hoek seevogels te vangen, die zeer menigvuldig waren, toen wij de Afrikaansche kust naderden.

Gebruikelijke zeilroutes naar Oost-Indië. 7, Kaap de Goede Hoop; 11, Straat Soenda; 12, Amsterdam en St. Paul

Geen vermelding van een tussenstop in Rio de Janeiro dus. Wij concluderen dat het schip waarop de schrijver zich bevond waarschijnlijk de Fortitude was, het enige troepenschip van de drie dat niet de route via Rio de Janeiro volgde maar dichter langs de Afrikaanse kust bleef. De Fortitude was een snel-zeilend gekoperd fregat (met drie masten) die volgens krantenberichten op 4 april 1817 de rede van Vlissingen verliet met 23 officieren en 211 manschappen en op 11 augustus te Batavia aankomt (1,6).

Als de schrijver van dit stuk inderdaad de overleden soldaat is, zijn we op zoek naar een soldaat op de Fortitude, in Soerabaya overleden tussen december 1817, een half jaar na de uitwisseling van brieven op 5 mei 1817 nabij de evenaar, en 20 september 1820, de publicatiedatum in de Bataviasche Courant.

De militairen op dit schip, die deel uitmaakten van het 24e bataillon regiment, staan geregistreerd in de zogenaamde Contrôleboeken van het Nationaal Archief, Ministerie van Koloniën: Stamboeken en pensioenregisters Militairen KNIL Oost-Indië en West-Indië (toegang 2.10.50) inventaris 83 folio 143 en verder, waar ook overlijdensplaats en datum in werden bijgehouden.

NA 2.13.09 inv. 673 (link)

Daarnaast zijn er stamboeken van het 24e regiment aanwezig in het Nationaal Archief onder toegang 2.13.09, inv. 673 en 673A. Hierin wordt de voorgeschiedenis van de rekruten beschreven. Deze twee registers overlappen elkaar maar gedeeltelijk (Tabel I). Dit kan ten dele worden verklaard door bijvoorbeeld desertie, maar er zijn in de Contrôleboeken ook “zij-instromers”, van wie het ons niet duidelijk is waar zij vandaan komen.

Een inventarisatie van de opvarenden van de Fortitude laat zien dat er maar liefst 16 soldaten aan de sterf-plaats en -datum criteria voldoen. Daarvan zijn er 2 geboren in het huidige Duitsland, 8 in Vlaanderen, 5 in de Noordelijke Nederlanden en 1 in Rusland.

Geïmponeerd door zijn kennis van de klassieke oudheid waren we aanvankelijk op zoek naar een “losgescheurde” Duitse student. Zodoende waren er eigenlijk maar twee kandidaten, Christiaan Fellinger, afkomstig uit Bellingsen, en Hendrik of Heinrich Steffens, geboren in Klein Grumbach. Van Fellinger is verder niets bekend, en ook navraag bij het stadsarchiv van de gemeente waar Bellingsen nu onder valt gaf geen aanknopingspunten. Heinrich Steffens komt voor in toegang 2.13.09 en daar blijkt dat hij in 1814 al 4 jaar voor de koning van Italië had gevochten. Geen opstandige student uit 1815 dus.

Daarna werden wij getroffen door Francois Strobant, geboren 14 mei 1778 te Gent. Hij is een gegratiëerd deserteur, die bij het 24e batteljon is ingelijfd. Een meer gevorderde leeftijd past bij het gedrag van de briefschrijver en bij zijn schrijfstijl. Daarnaast geeft hij blijk van kennis van Gent en andere Vlaamse steden.

Met eenen braven luitenant, van Gent geboortig, vermaakte ik mij, wanneer er niet vele officieren op het halfdek waren om nu en dan een praatje over de zoetigheden van Brussel, Gent en Rijssel te houden.

Echter schrijft de briefschrijver bij zijn vertrek uit Vlissingen:

Hoe blijde ik was toen het anker opgewonden werd, kan ik u niet zeggen. Geen afscheidstraan kwam in mijn oog en eene misschien vermetele vreugde, veroorzaakt door de zekerheid, dat nu ook de laatste band geslaakt was, waarmede jeugdige onbezonnenheid mijne vrijheid aan oude onbezonnenen geketend had, liet mij niet toe aan de minste sombere gedachte plaats te geven.

Met zijn leeftijd van bijna 39 jaar heeft deze Francois Strobant zijn jeugd al wel erg lang achter zich gelaten, zeker in die tijd. Voor een soldaat was hij oud, en we zien hem ook niet herhaaldelijk de mast inklimmen.

Een andere, wat jongere, kandidaat uit de Zuidelijke Nederlanden is Willem van Beugen, geboren op 14 maart 1789 te Antwerpen, die ten tijde van inscheping op de Fortitude 28 jaar oud was. Zijn militaire carrière laat vanaf 1814 echter geen onregelmatigheden zien: geen buitenlandse dienst of desertie.

Ten slotte viel ons oog op Jacobus van den Heuvel, geboren op 14 december 1788 te Dordrecht. In 1812 diende hij onder Napoleon bij het 124e Regiment Infanterie en werd tijdens de veldtocht naar Rusland krijgsgevangen gemaakt bij Polotsk. Hij is daarna overgegaan naar het Russisch-Duitse Legioen en heeft twee jaar in Duitsland gediend. In 1814 werd hij weer krijgsgevangen gemaakt, dit keer in Frankrijk en kwam vervolgens in Franse dienst.  Hiervan werd hij in 1816 ontslagen. Op 12 mei 1816 komt hij in Nederlandse dienst bij het 33e Infanterie Bataillon in Harderwijk en een paar dagen later bij het 24e. Daarnaast staat in het Contrôleboek, maar niet in het Stamboek, dat hij is gegratiëerd voor desertie.

Gedeelte van het stamboek van Jacobus van den Heuvel (NA 2.13.09 inv. 673 nr. 256, link, image 60/65)

Deze turbulente carrière zou wonderwel aansluiten bij wat we in de brief lezen. De brief zou gericht kunnen zijn aan een Duitstalige strijdmakker uit het Russisch-Duitse Legioen die ook in 1814 krijgsgevangen is gemaakt door de Franse “vrienden”, die ook hem in dienst namen. Hij zou al eerder zijn gedeserteerd, nog steeds zijn ondergedoken, en zich regelmatig moeten verplaatsen, “uit Keulen” bijvoorbeeld. Jacobus deserteert ook en loopt vanuit Frankrijk naar De Nederlanden. Daar ontmoet hij een militair die hem herkent en gratie-papieren meegeeft voor indiensttreding in het Oost-Indisch leger.

Blijft de vraag hoe de briefschrijver zich zijn geletterdheid heeft eigengemaakt. Een goede scholing in Dordrecht voordat hij als 23 jarige naar Rusland trok? Of misschien simpelweg de waarheid achter dit citaat:

“Niets ontwikkelt intelligentie zo veel als reizen.” – Emile Zola

Jacobus van den Heuvel is onze favoriete briefschrijver. Maar mocht u, de lezer, een betere oplossing voor deze whodunnit hebben, dan houden wij ons uiteraard van harte aanbevolen.

In de tussentijd zijn wij Jacobus, Francois, Willem, Christiaan, of hoe hij ook moge heten, dankbaar voor zijn mooie sfeertekening uit de vroege jaren van het koloniale troepentransport.

Lees de hele brief hier.

We danken Jos Kaldenbach voor de hulp bij het informeren naar Christiaan Fellinger bij het Stadarchiv van Springe am Deister, Dennis van der Jagt voor het delen van zijn manuscript dat NA 2.10.50 inv. 83 beschrijft, en Maaike van der Kloet voor tekstuele suggesties.

Referenties en noten

  1. Bossenbroek, M.P. Het transport van koloniale troepen voor het Oost-Indische leger 1815-1909 (Amsterdam-Dieren: De Bataafsche Leeuw, 1986, 232 blz., ISBN 90 6707 088 2.
  2. Bataviasche Courant, 30 september, 7 oktober en 25 november 1820.
  3. Indisch magazijn: een tijdschrift ter verzameling van opstellen en berigten over, en van belang voor, de natuur-, volken- en staatkunde van Nederlandsch Oost-Indië ; uitgeg. onder medew. van Indië’s ingezetenen, Volume 2, Landsdrukkerij, 1845, p. 116-126.
  4. De data van 4 en 5 april zijn volgens krantenberichten. 11 april volgens het Contrôleboek en (1). In het Stamboek (2.13.09 inv. 673) wordt een datum van 1 april genoemd voor de Fortitude.
  5. Selima, Prov. Groninger Courant, 26 augustus 1817; Tromp, Verhandelingen en berigten betrekkelijk het zeewezen en de zeevaartkunde (1846), Volume 6, p.301.
  6. Bataviasche Courant, 16-08-1817 (link).
  7. 1855, Het fregatschip ‘Jacoba Cornelia Clasina’ van rederij Rietveld op de rede van Batavia. Geschilderd door Casparus Johannes Morel. Bron: RKD Ned. Instituut v. Kunstgeschiedenis.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.