Gusti Partini en andere Javaanse vrouwenlevens in de 20e eeuw

0
1269

Op 28 september 2019 hield Madelon Djajadiningrat op verzoek van de IGV en Stichting Zieraad een lezing op de eerste Indische Roots Expertise Dag. De lezing geeft een uniek kijkje in het leven in en rondom de Javaanse Kraton, waarnaar Djajadiningrat in de jaren zeventig onderzoek deed. Hieronder leest u de tekst van haar lezing.

Mijn verhaal zal deels op het koloniale tijdperk terugkijken, deels op Indonesië.

Ik begin met een tekst van de schrijfster Carry van Bruggen. De tekst komt uit haar boek ‘Hedendaags Fetisjisme’. Wie kent haar nog? Zij leefde van 1881-1932, was haar tijd vooruit, en stierf waarschijnlijk door zelfdood. Gezien de gebeurtenissen hierna, zij was Joods, misschien een zege.

Waarom lees ik u deze tekst voor, een tekst die door Carry van Bruggen niet gebaseerd was op het koloniale Indië? Wie weet denkt u na mijn verhaal, ’t zou best ook gekund hebben. Of het toepasselijk is op het verhaal dat ik u zal vertellen, zult u zelf moeten uitmaken. De tekst luidt:

Maar nooit zal de heer met zijn knecht aan één tafel eten of hem zijn dochter tot vrouw geven. [..] Zijn dochter geeft hij, na den ‘eervollen vrede’ aan zijn ‘vijand’ uit dezelfde kaste, die trouwens nimmer wezenlijk zijn vijand was. Zelfs in tijd van oorlog staat de adellijke officier zijn adellijken vijand nader dan den pummel in zijn gelederen. Reeds zijn paarden en zijn honden stelt de ‘Junker’ hooger dan het ‘Pöbel’ waartoe negentig percent van zijn lieve landgenooten behooren.(van Bruggen, 1925, p. 83)

In 1962 leerde ik mijn toekomstige schoonmoeder, Bandera Raden Aju Partini Djajadiningrat, in Brussel kennen. In het kort Gusti (prinses) Partini. Zij was 60 jaar en ik 24. Nederland en Indonesië waren als gevolg van het conflict om Nieuw-Guinea in een onmogelijke situatie beland. Soekarno had de diplomatieke betrekkingen verbroken. Maar mijn toekomstige schoonmoeder wilde met alle geweld naar Nederland om haar oude vrienden te bezoeken. En ook nu liet zij zich door niets van de wijs brengen. Een van haar schoonzoons had inmiddels een diplomatieke functie op de Indonesische ambassade in Bonn en er was geen enkele belemmering om wel naar Duitsland af te reizen. Maar Duitsland was geen Nederland. Brussel, waar wij uit nood besloten bij elkaar te komen, was tenminste een stukje dichterbij.

Wij, toen nog mijn vriend en ik, gingen dus naar Brussel. Mijn vriend had zijn moeder al 10 jaar niet meer gezien. Beiden moesten aan elkaar wennen. Beiden waren andere mensen geworden.

Niet lang daarna was Nederland er eindelijk aan toe om Nieuw-Guinea af te staan. Voor Partini was het allerbelangrijkste dat ze nu naar Holland kon doorreizen om al haar oude vrienden van voor de oorlog weer te ontmoeten. Zij logeerde bij ons, hoewel wij nog ongetrouwd waren, maar dat nam ze op de koop toe. Aan moraliseren deed ze niet.

Voor ons waren het drukke maanden. We stonden met één been nog in het studentenleven en kwamen met het andere in het vooroorlogse leven van politici, diplomaten en hoogleraren. Om het allemaal wat eenvoudiger te maken gingen we dan ook maar trouwen.

Zo leerde ik dus reeds toen, voordat ik een stap in het vliegtuig naar Indonesië had beklommen, de ups en downs van het vroegere koloniale leven, maar vooral – en dat was eigenlijke het belangrijkste – van het Javaanse familieleven.

Wie was mijn schoonmoeder? Zij was de oudste dochter van de vorst Mangkunegoro VII. In de rangorde van de vier Midden-Javaanse vorsten was hij de derde, maar hij was wel de meest moderne. Hij had korte tijd in Nederland bij de beroemde professor Snouck Hurgronje gestudeerd en als officier tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Nederlandse leger dienstgedaan. En om het plaatje nog wat duidelijker te maken, genoot hij samen met zijn vriend, de schrijver en dichter Notosoeroto, in die jaren van het Leidse studentenleven.

Partini was nog een klein meisje en bleef onder de hoede van de twee selirs van haar vader in Solo achter. Wel was er een frequente correspondentie tussen Partini en haar vader, vooral vol goede raadgevingen van vaderskant.

In 1915 wordt Soeparto door de Nederlands-Indische regering teruggeroepen. De zittende vorst, Mangkunegoro de Zesde, had aangekondigd dat hij wilde aftreden, overigens niet gebruikelijk. Het voert echter hier te ver om op het hoe en waarom in te gaan. De beoogde opvolger volgens het gouvernement was Soeparto, zijn neef, maar dat vertelde ze hem voorlopig nog niet.

Op 15 Mei 1915 stapt Soeparto op de boot, na eerst nog zijn opwachting bij minister Colijn gemaakt te hebben. In Indië ging hij, op diens verzoek, op audiëntie bij de Gouverneur Generaal Idenburg. Soeparto had inmiddels al in de gaten dat er wel wat meer aan de hand was. Als opdracht kreeg hij de pestbestrijding op Midden Java ter hand te nemen. Dat was uiteraard niet waar hij op gehoopt had, maar hij begreep dat het gouvernement hem aan de tand wilde voelen wat betreft zijn capaciteiten.

Nadat hij een jaar lang had getoond voldoende kennis en voldoende ervaring te hebben, kon hij op 3 Mei 1916 als vorst van het Mangunegarase rijk geïnstalleerd worden. En zo werd Partini van een dochter van een vorstenzoon, een vorstendochter. Eerst nog de enige, later de oudste van zijn zeven kinderen.

De drie overige Midden-Javaanse vorsten waren: Paku Buwono X, die van 1893-1939 regeerde, de Sultan Hamengku Buwono IX en de Paku Alam VIII van 1937 tot 1998. Paku Buwono zou nog een belangrijke rol gaan spelen in de naoorlogse republiek Indonesia. In feite worden deze vorsten, inclusief de Mangku, ook nu nog beschouwd als de laatste werkelijke Javaanse vorsten. Hiermee doelt men vooral op het feit dat zij ieder op een geheel andere wijze voldeden aan het beeld dat men zich toentertijd van vorsten wenste.

In al de vier vorstenhoven leefde men als in een zelf besloten gemeenschap. Er was een eigen administratie, eigen personeel en eigen bevoorrading. Er waren werkplaatsen voor onderhoud en het maken van meubels, beelden en muziekinstrumenten, stallen voor de paarden en een eigen autopark. De Mangkunegaran had als enige nog een eigen leger.

Gusti Partini met haar drie bediendes (tevens speelkamaraadjes) en haar hond Kapri; 1918 (bron)

Partini krijgt een goede opvoeding, evenals haar jongere zusjes. De meisjes zijn allen op een Europese lagere school geweest, twee daarna op de van Deventerschool, één op de Christelijke Mulo in Solo. We spreken dan over de jaren twintig en begin dertig. Thuis kreeg Partini nog aanvullend onderwijs tot het niveau van het klein­ambtenarenexamen (= getuigschrift lager onderwijs t/m 7e klas), een andere dochter heeft zelfs de AMS (Algemeen Middelbare School) in Jogja doorlopen. De zoons zijn alle drie na hun lagere school in Solo en Batavia op de middelbare school geweest.

Als in 1919 het Java Congres in Solo wordt gehouden, wordt Partini op 17 jarige leeftijd geacht hieraan deel te nemen. Daar wordt zij voorgesteld aan, naar later blijkt, haar toekomstige echtgenoot: de van afkomst Bantammer, prof. Dr. Hoesein Djajadiningrat.  

Een jaar later begint in Batavia na een prachtige huwelijksceremonie haar leven met Hoesein Djajadiningrat. Ze krijgen zes kinderen, drie meisjes, en drie jongens, waarvan een tweeling. Als partner van haar man speelt Partini in het Bataviase leven een belangrijke rol, ook onder de Nederlandse hoogleraren en bestuursambtenaren en hun echtgenotes. Maar het is haar niet genoeg. Zij wil haar talent een kans geven en gaat een boek schrijven, tegen de zin van haar vader en van haar echtgenoot. Haar vader is bang dat zij te veel het hofleven naar buiten brengt en haar man, inmiddels hoogleraar, was een typische geleerde van die tijd en zag niet veel in romanschrijverij. Voor meisjesboeken had hij niet alleen geen belangstelling, maar ook hij was bang dat zij te veel uit de school zou klappen. Tot aan de uitgave van het boek, dat na de oorlog in het Indonesisch vertaald werd en als verplichte literatuur op de schoollijst stond, heeft hij de roman Widijawati genegeerd alsof het niet bestond. Toch was hij een aardige man.

Partini zet door en wordt bijgestaan door de schrijfster Diet Kramer, die in 1934 naar Batavia was gekomen om in het huwelijk te treden met de rector van het Bataviaas Lyceum.

Helaas heeft Diet Kramer nagelaten een aantal personen uit het verhaal te schrappen. Het boek zou gewonnen hebben met een veel strakkere stijl. Vaak zie je door de vele hoven de spelers niet meer. Misschien was dat ook de reden dat haar man en haar vader er zich maar liever niet mee wilden bemoeien.

Het boek gaat over de worsteling van een meisje, in dit geval het Javaanse meisje Widijawati, of wel Widati. Widati heeft een stiefmoeder, welke vorm krijgt als de typische stiefmoeder, gemeen en liefdeloos. Hierin verwerkte Partini haar eigen verlies van een moeder. Ze wordt verliefd op Rawinto, die naar Holland gaat om te studeren. Als hij terugkomt, wordt hij echter gedwongen om met de dochter van een regent te trouwen. Widijawati besluit een eigen pad te volgen, wordt onderwijzeres en volgt ook een opleiding voor verpleegster. Als duidelijk wordt dat zij nooit met haar geliefde zal kunnen trouwen, besluit ze naar Nederland te gaan voor verder studie.Op het laatst ontmoet zij Rawinto toch nog. Hij vertelt dat zijn vrouw gestorven is en smeekt Widati op Java te blijven en met hem te trouwen. Zij blijft echter bij haar besluit en gaat naar Holland.

De vraag is, of liever gezegd mijn vraag is: Had zij zelf dat ook graag gewild?
Wat in een verhaal mogelijk is, is dat meestal niet in het echte leven.

Het boek is na de oorlog in het Indonesisch vertaald en werd verplichte literatuur op de Indonesische scholen, maar in hoeverre hebben de na-oorlogse meisjes zich in het verhaal kunnen herkennen? De kolonie was verdwenen en hiervoor in de plaats kwam de nieuwe staat Indonesië. Ook was aan de vorstenadel een geheel andere plaats toebedeeld.

Inmiddels is net een ander boek verschenen. Misschien enigszins gebaseerd op Widijawati. De titel is Lichter dan ik, van Dido Michielsen. Speelt Widijawati in de dertiger jaren en kiest zij voor een eigen leven, Isah, de hoofdpersoon in dit boek, is geboren in 1850, ruim 50 jaar voor de geboorte van Partini.

Hoewel het hof niet bij naam genoemd wordt, denk ik dat de schrijfster het hof van de Sultan van Jogya in het hoofd had. De moeder van Isah is batik expert en behoort niet tot de adel, maar woonde wel op het terrein van het hof. Niemand kan mooiere batik vervaardigen dan zij. Voor Isah staat ook een echtgenoot in de wacht. Zij probeert hieraan te ontsnappen door iedere dag weg te sluipen naar het huis van een Hollandse militair. Aanvankelijk zit ze nog bij hem op de stoep en probeert zo goed als kwaad gesprekken met hem te voeren. Nederlands kende ze niet, de militair ook geen Maleis, om van het Javaans maar niet te spreken. Maar uiteraard vindt de militair het een aardige afleiding, als hij ’s avonds op zijn terras een sigaret aan het roken is.

U voelt het al, tenslotte komt Isah bij hem in het bed en wordt zij zijn njai. Ze krijgt kinderen, wordt behandeld zoals over het algemeen een njai behandeld wordt. Haar dagelijkse leven is redelijk aangenaam, zowel in bed als hoofd van de huishouding en moeder van haar kinderen, maar dit verandert subiet als er Hollanders op bezoek komen. Dan is haar plaats die van moeder van haar kinderen en bedgenoot van haar man. Getrouwd wordt er niet, dat doet de heer des huizes tenslotte met een Nederlandse vrouw. Haar verdere leven zal Isah van het ene huishouden naar het andere zwerven. Tenslotte worden in een van de huizen haar kinderen in de familie opgenomen en ook die familie gaat terug naar Holland en neemt haar kinderen mee.

Ik vroeg me ook af hoe het verhaal over de kinderen in Nederland verteld zou worden. De kindertjes waren half bruin of half wit, hoe je het maar wil noemen.

Eenmaal in Nederland zal het verhaal van de njai waarschijnlijk niet begrepen worden en misschien werd de man des huizes er wel op aangekeken. En bovendien was het verhaal dat de moeder van de kinderen bij het hof van de Sultan had gehoord en gevlucht was voor een gedwongen huwelijk niet eens onwaar, maar dat betekende nog niet dat die moeder een prinses was. En om op Carry van Bruggen terug te komen, ook toen gold dat ‘nooit de heer, in dit geval de vorst, zijn dochter aan “een Nederlander” ten huwelijk zou geven’.

Het is natuurlijk maar een verhaal en daarin kan alles, maar hoe vaak kreeg ik na mijn lezing over Vorst tussen twee Werelden niet van vrouwen te horen – het waren altijd vrouwen – dat ze ook van Javaanse, adellijke afkomst waren. Na Lichter dan ik dacht ik: ‘Misschien werd zo aan de misstappen van de Hollandse heren een mooier tintje gegeven’.

Maar terug naar de werkelijkheid van de kraton of in dit geval de astana.

In 1970 kreeg ik de kans om onderzoek te doen in de Astana Mangkunegaran in Soerakarta. Ik was benieuwd naar het toen hedendaagse familieleven in de vroegere kratons of astana en naar het proces van priyayisering in de steden van het moderne Indonesië. De term priyayisering komt voort uit het feit dat de burgerij die in Jakarta het beleid in handen had, aanvankelijk meestal uit priayi families afkomstig was en Nederlands onderwijs had genoten, vaak ook aan Nederlandse universiteiten.

Dankzij de voorspraak van mijn schoonmoeder mocht ik in de Astana Mangkunegaran logeren. Het bed waarin eens vlak voor de oorlog Rabindranath Tagore had geslapen werd het mijne. Mooier kan je het als onderzoeker niet krijgen. De tegenstelling tussen diens idealisme van voor de oorlog en de situatie in 1970 kon niet groter zijn. De staatsgreep van 1965 en de moordpartijen op zogenaamde communisten hierna sidderden nog na.

Zolang ik nog binnen de muren van het Astana complex bleef, leek het alsof de wereld nog niet veranderd was, ook al was het leven er vele malen soberder geworden. Ik kon vrijuit met iedereen praten, zolang het vrouwen waren. Dat wil niet zeggen dat ik geen mannen sprak, maar dat was veel minder persoonlijk.

Als men vanuit de drukke overvolle straten binnen kwam, zag men op het stille plein de prachtige Pendopo liggen, naar zeggen de grootste van Java. Bij de poort ontmoette ik de wachters, resten van het Mangkunegarase legioen. Links en rechts van de dalem zijn de woonverblijven. Links de vrouwelijke gezinslieden, rechts de mannen. Opzij de Prangwedanan, het verblijf van de oudste zoon. De woonverblijven van vorst en vorstin waren gescheiden; begrijpelijk als men denkt aan het complexe huwelijksleven.

’s Morgens kleedt de vorstin zich uitvoerig in het gezelschap van haar zusters, weduwen die op het terrein van de Astana wonen, vriendinnen en bedienden. Ook ik mocht hierbij zijn. De dagelijkse dingen werden besproken en dat wat er op die dag moest gebeuren. De sfeer is informeel.

De vrouwen die ik wilde interviewen, kon ik zo uitkiezen. Zij kwamen op mijn uitnodiging echter nooit alleen. Er was altijd een bediende bij, maar dat was geen bezwaar. Zij kenden geen Nederlands en konden het gesprek dus niet volgen.

Ik zal u een paar van de levensverhalen vertellen. Mocht u de genoemde boeken gaan lezen, dan kunt u zich een beeld vormen in hoeverre de romans kunnen concurreren met het werkelijke leven in het voor- en naoorlogse Javaanse vorstenleven.

De vrouwen die ik mocht interviewen, waren niet alle van dezelfde afkomst. Drie waren regelrechte afstammelingen van de Sunan of van de Mangku Negoro. Eén was van lage adel en één kwam uit de dessa. Geen van allen was in staat geweest in hun jeugd invloed uit te oefenen op hun eigen lot, noch wat hun scholing, noch wat hun huwelijk betreft. Bij alle vijf is opleiding en huwelijk ondergeschikt gemaakt aan de sociale plaats die zij later zouden moeten innemen en deze plaats was reeds bepaald door hun afkomst. Niemand had echter op een oorlog en revolutie gerekend. Nooit was de opleiding die zij ontvangen hadden bedoeld ter ontplooiing van eigen mogelijkheden. Ook in het geval van Matusari, een begenadigde zangeres, was de ontwikkeling van haar talent niet voor haar zelf maar ten dienste van de vorst. Zij mocht geen huishoudster zijn, geen moeder, wel bedgenote, maar toch ziet zij dit leven als een kans en als een vergroting van mogelijkheden die zij vanuit haar eigen achtergrond nooit gekregen zou hebben. Het voordeel van een vakopleiding laat zich hier ook duidelijk tonen. Immers toen zij de bescherming van de vorst verloor, was zij zeer goed in staat een eigen en onafhankelijk leven als zangeres op te bouwen, waarop zij met zeer veel genoegen terugkijkt.

De wijze waarop de andere vrouwen gereageerd hebben op de beslissingen die voor hun genomen waren, was bij ieder verschillend. Het gevoel van protest ten opzichte van een gedwongen huwelijk was het grootst bij degene die de plaats van selir kreeg toegewezen. Over de echtgenoot die de vrouwen gekregen hadden waren achteraf weinig klachten. ‘Het was een goede man’ en misschien was dat ook het uiterste wat men verwachten kon.

De reden dat niet veel vrouwen in Solo succes hadden bij hun pogingen een eigen arbeidsterrein op te bouwen, ligt waarschijnlijk het meest aan de beperkte mogelijkheden van Solo na de revolutie. Een voorwaarde voor succes was op zijn minst dat men zijn hoofd afwendde van de zelfgenoegzaamheid van het hof en Solo en zijn blik wendde naar Jakarta. En hiervoor had men als vrouw toch weer de steun van een man nodig, die een relatie met de moderne Indonesische staat moest hebben. Laat dit nou juist de reden zijn dat deze vrouwen gingen werken of handelen; hun echtgenoten konden geen aansluiting vinden bij de Indonesische staat. We zien dan dat inmiddels niet de vorstenband, maar de band met de Indonesische staat een voorwaarde is voor succes en dat het Huis hoogstens een steun en een achtergrond kan zijn.

De situatie in Jakarta was moeilijker te benaderen dan in Solo. In Solo kon ik uitgaan van een kleine gemeenschap.  Door daarin te participeren leerde ik mijn informanten kennen: hun dagelijkse leven, de instituten en de organisaties in die gemeenschap. Dat was in Jakarta niet mogelijk. Van een gemeenschap, zoals door mij gebruikt voor de Solose situatie, was geen sprake. In Jakarta woonden de leden van het Mangku Negarase Huis verspreid over de hele stad, in verschillende buurten en soms heel ver van elkaar.  Hun inkomen betrekkend uit werk dat in geen enkel opzicht meer ten dienste van het Mangku Negarase Huis was. Wel was er sprake van een sociaal verkeer tussen de leden van Huis op basis van een familierelatie, waarbij sympathie meer bepalend was voor de mate van intimiteit. Vooral de vrouwen onderhielden het sociale netwerk. De bijeenkomsten van de trah, de slametans, de verjaardagen, huwelijken en dergelijke zijn alle gelegenheden waarop goederen en diensten kunnen worden uitgewisseld. Geld voor juwelen en andersom, geld uitgezet en geld geleend, huizen verhuurd en huizen verkocht; met dit alles houden vooral de vrouwen zich bezig en niet de mannen.

Bovendien hadden de vrouwen die in dit netwerk een werkkring hadden opgebouwd het gevoel te voldoen aan een norm die de Indonesische samenleving zeer hoog acht, namelijk als moeder het gezin door de moeilijke tijden te loodsen. Moeder zijn betekent dan niet alleen het verzorgen van kinderen en huis, dat kunnen ook de armere familieleden en bedienden doen.  Verzorgen heeft hier een veel ruimere betekenis. Een lerares is ook een Ibu (moeder). Zij heeft een taak voor de kinderen van de Indonesische maatschappij. Een ongetrouwde vrouw met een maatschappelijke functie is ook een Ibu, ook al heeft zij alleen in haar functie met volwassenen te maken, immers alle Indonesiërs zijn kinderen van de Indonesische staat. Een moeder die handelt, zorgt dat haar gezin en alle minderbedeelde familieleden te eten en scholing krijgen. Dat is een taak die in hoger aanzien staat dan de directe stoffelijke verzorging. Je zou kunnen zeggen dat alles wat de vrouw doet gerechtvaardigd kan worden in de context van de Ibu. Want nergens, noch in de literatuur noch in de interviews wordt individuele ontplooiing als reden genoemd voor datgene wat men doet. Maar dit geldt evenzeer voor de Indonesische mannen. Emancipatie zal in de Indonesische context een andere vertaling behoeven dan in de Westerse.

Een Ibu hoeft zich ook minder te houden aan de formele spelregels, zoals de man, die aan de spelregels van zijn functie gebonden is. Het Ibuschap is een soepel, handzaam en bewegelijk gereedschap om jezelf en je gezin te voorzien van een stevige en liefst hoge sport op de maatschappelijke ladder. Het HUIS (de afkomst), de trahs, de familieorganisaties en de slametans zijn de werkplaats waar de vrouwen dit gereedschap kunnen hanteren.

Via dit Ibuschap komt er ook een rolintegratie tot stand. Op deze wijze kan de vrouw voldoen aan de eis een goede echtgenote te zijn, een goede moeder, een goed lid van de verwantengroep, een goed lid van de Indonesische samenleving en bovendien heeft zij dan ook nog de satisfactie van eigen succes.

Aan u de keus wat u zou prefereren, stel dat u de keuze had.

Ik heb gezegd.

Dit artikel zal in druk verschijnen in de Indische Navorscher van 2021.

Referenties

Carry van Bruggen, Hedendaags Fetisjisme (1925) p. 83, Querido. Amsterdam

M. Djajadinigrat-Nieuwenhuis (ongepubliceerd). Verslag van onderzoek in 1972 onder vrouwen uit Middenjavaanse vorstenkringen in Jakarta en Solo. Bijlage bij: Hedendaags Priyayisme in Indonesië. Doctoraalscriptie Culturele Anthropologie, Universiteit van Amsterdam.

Dido Michielsen (2019). Lichter dan ik. Hollands Diep. Amsterdam.

Rd. Aju Partini (1986). Recollections of a Mangkunagaran princess. PT Djambatan. Jakarta.

Arti Purbani (pseudoniem voor Rd. Aju Partini) (1948). Widijawati. Het Javaanse Meisje. Amsterdam.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.