Home Blog

IGV USB sticks nu beschikbaar!

0

Nu beschikbaar: IGV Publicaties en Bronnen USB sticks

De Indische Genealogische Vereniging heeft dit jaar hard gewerkt aan het verzamelen en verwerken van IGV publicaties en Indisch bronmateriaal.

Dit heeft geleid tot twee USB sticks: IGV Publicaties en IGV Bronnen. Beide USB sticks zijn apart of tezamen te koop in de IGV webshop. Deze twee dragers van Indisch bronmateriaal vormen een onmisbare aanvulling voor het onderzoek naar je Indische familie en bevatten samen 34 GB aan informatie en 190.000 doorzoekbare pagina’s. 

De IGV Publicaties USB stick is een vernieuwing van de uitverkochte IGV-DVD en bevat o.a. alle IGV publicaties uitgegeven t/m het jaar 2014. De nieuwere uitgaven dienen nog apart in de webshop te worden gekocht. Net als de oude IGV DVD bevat de USB stick ook een index (handleiding) die het zoeken op trefwoorden mogelijk maakt. Daarnaast maakt de USB stick ook gebruik van bladwijzers die het gebruikersgemak nog meer vergroten.

De IGV Bronnen USB stick bevat veel informatie waaronder Indische Almanakken en Adresboeken die ooit op een DVD uitgegeven werden, maar tegenwoordig niet meer verkrijgbaar zijn. Daarnaast bevat de Bronnen stick een enorme hoeveelheid aan extra gegevens.  Net als de IGV Publicaties stick, maakt ook deze USB stick gebruik van bladwijzers. Op deze USB stick is geen index aanwezig vanwege de grote hoeveelheid pdf’s, maar kan met behulp van Adobe (gratis) toch in één keer worden doorzocht op trefwoord. Klik hier voor een handleiding hoe dit te doen.

De inhoud van beide USB sticks kan worden gevonden in de productomschrijving van de USB sticks in de webshop.

 

Met grote dank aan IGV-lid Dennis van der Jagt voor zijn enorme inzet om al dit bronmateriaal voor iedereen toegankelijk te maken.

Bronnen: waar vind ik wat?

0

Indische familiegeschiedenis raakt in een stroomversnelling, want nog nooit was het zo gemakkelijk om vanuit huis decennia- of zelfs eeuwenoude documenten te raadplegen. Hierdoor kunt u uw familiefoto’s -verhalen beter plaatsen en tot leven brengen. Maar waar vind ik wat?

Dennis van der Jagt brengt de belangrijkste toegangswegen in kaart.

Kijk in de Bronnentab van het menu voor nog (veel) meer Bronnen.

Gezocht: Nabestaanden van overleden krijgsgevangenen Saigon / Singapore

0

Namens Luitenant-Kolonel b.d. Jacq. Z. Brijl BL zijn wij op zoek naar nabestaanden van een aantal militairen die zijn omgekomen in krijgsgevangenschap in Saigon, Vietnam.

De Japanse troepen, die in 1942 in het zuiden van Thailand en in het Noorden van Malakka landden, rukten snel zuidwaarts op. De laatste Britse verdedigers trokken zich terug op Singapore, maar de Japanse troepen wisten het eiland binnen de door hen gestelde termijn van 100 dagen in te nemen.

Op het ereveld Kranji van de Britse Commenwealth War Grave Commission liggen meer dan 4000 oorlogsslachtoffers begraven, onder wie twintig Nederlanders. Het gaat hier vooral om KNIL militairen die tijdens de gevechten waren gevangengenomen en door het Japanse leger naar Saigon waren overgebracht. Zij zijn daar in een krijgsgevangenschap overleden en begraven. Na afloop van de oorlog zijn deze slachtoffers door de zorg van de Oorlogsgravenstichting herbegraven te Singapore.

De KNIL militairen in kwestie zijn:

  1. Kpl. Inf. Cornelis Hoppenbrouwer, geb. 7 mrt 1911 te Ambarawa
  2. Sgt. Inf. Ernst Adolf Karel Büttner, geb. 9 mrt 1898 te Kediri
  3. Kpl. Inf. Max Kooymans, geb. 24 apr 1917 te Poerwakarta
  4. Sld. Inf. Ferdinand Adolf Simon, geb. 8 mei 1923 te Batavia
  5. Sld. Inf. Willem Frederik van der Vlugt, geb. 7 mrt 1923 te Batavia


Al geruime tijd zet Luitenant-Kolonel b.d. Jacq. Z. Brijl BL (Mojokerto, N.O.I., 1927) zich in om te eren wie ere toekomt. Het doel is om moedige personen te eren die tijdens WOII hun leven voor het vaderland hebben gegeven. Door zijn inzet kunnen nabestaanden vaak alsnog het Mobilisatie Oorlogskruis (MOK) in ontvangst nemen.

Mocht u een nabestaande zijn of kennen, neemt u dan contact op met Luitenant-Kolonel b.d Jacq. Z. Brijl of met de IGV.

IGV Bronnenpublicatie 29: Huwelijksregisters Batavia 1841-1850

0

door Leo Janssen

Ruim acht jaar geleden startte de redactie van de serie “Bronnenpublicaties van de Indische Genealogische Vereniging” het project om te trachten alle in de negentiende eeuw te Batavia voltrokken huwelijken als bron voor genealogisch onderzoek toegankelijk te maken. Als basis daarvoor diende de door de The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (vaak informeel de LDS kerk of de Mormonen genoemd) te Jakarta verfilmde akten die voor het grootste deel, zij het met hiaten, bewaard zijn gebleven. In 2017 publiceerde de IGV het eerste deeltje, Bronnenpublicatie 27, van dit project, zijnde de huwelijks­ registers 1829-1840. Het thans voorliggende deeltje bevat de huwelijksregisters 1841-1850.

Bij de huwelijksakten is zoveel mogelijk getracht aanvullende, genealogische informatie toe te voegen, zoals geboortedatums (akten vermelden slechts de leeftijd der comparanten), de namen van de ouders (die pas ingaande mei 1848 in de akte warden vermeld) en overlijdens- of echtscheidingsgegevens van een vorige partner. Deze aanvullingen zijn tussen vierkante haakjes geplaatst.

Voor deze aanvullingen is, wat Indië betreft, gebruik gemaakt van de op DVD uitgebrachte Regeerings Almanakken voor Nederlandsch-Indië (RA) en de website roosjeroos.nl, en wat Nederland betreft websites als wiewaswie.nl, zoekakten.nl, de door de Stichting Geneaknowhow geplaatste ‘Digitale Bronbewerkingen Nederland en België’, en de door de Latter Day Saints op het web geplaatste Burgerlijke Stand­ en OTB-registers van Nederland. Ook werd gebruik gemaakt van reeds door de IGV of anderen gepubliceerde gegevens. Uiteraard is dit niet in alle gevallen gelukt; met name voor personen geboren in Indië van voor de in oktober 1828 ingevoerde Burgerlijke Stand voorzover zij niet in gepubliceerde doopregisters te vinden waren, en voor in het buitenland geboren personen.

Namen en woorden die niet met zekerheid konden worden vastgesteld, worden gevolgd door een tussen vierkante haakjes geplaatst vraagteken. Indien het een familienaam betreft is deze NIET in de index op familienamen opgenomen. Maar familienamen die verkeerd in de Almanak zijn weergegeven, zijn echter WEL in de index opgenomen omdat zij mogelijk als zodanig in andere Indisch-genealogische publicaties kunnen voorkomen.

Tevens zijn nog enkele aanvullingen op de Bataviase huwelijksakten van deeltje 27 opgenomen.

Huihan opent deuren naar jouw Chinese familiegeschiedenis

0

Huihan Lie is geboren en getogen in Nederland maar woont nu in Beijing. Hij bouwde een eigen online platform voor Chinese familiegeschiedenis en is nu CEO van zijn eigen bedrijf My China Roots. Wij wilden wel eens weten hoe dat zo gekomen is.

Ik ben geboren in Amsterdam, maar tijdens mijn lagereschooltijd woonden we op het platteland op de Veluwe. Ik was altijd geïnteresseerd in verhalen over ons familieverleden en aangezien mijn (groot)ouders uit Indonesië kwamen konden ze daar veel over vertellen, maar nooit over China. Dit maakte me nog nieuwsgieriger; waarom zijn we dan “Chinees” als we uit Indonesië komen en wat houdt dat eigenlijk in, “Chinees zijn”? 

In 2004, na mijn studententijd ging ik voor het eerst naar China. Eerst om Chinees te studeren en daarna om een stage te lopen bij de Europese Commissie in Beijing. Ik vond de enorme sociale, economische en politieke ontwikkelingen waar China doorgeen ging toen ontzettend boeiend en ik besloot er te blijven. Ik ging werken in de consulting en tegelijkertijd begon ik langzaamaan wat te graven in onze familiegeschiedenissen in China. Het begon met een bezoek samen met mijn moeder aan een verre neef die in Xiamen woonde. Met hem bezochten we het stamdorp van mijn moeder’s oma, een paar uur rijden van Xiamen.

Daarna ging ik andere takken van onze familie onderzoeken en van het een kwam het ander. Ik begon anderen te helpen en in 2012 besloot ik van mijn hobby een fulltime beroep te maken. Zo is My China Roots ontstaan!

Huihan Lie

Je hebt Chinees-Indonesische roots. Voelde je Nederlands, Indonesisch, Indisch of Chinees toen je opgroeide?

Nederlands, met een gekleurd randje… ik merk vooral bij de Amerikanen die wij helpen dat ze vaak worstelen met een culturele identiteitscrisis. Ik heb het zelf nooit een crisis ervaren, het was meer interesse en nieuwsgierigheid.


Als ik op jullie website kijk zie ik een erg groot team dat veel enthousiasme uitstraalt. Hoe kan je zo’n groot team in de lucht houden?

Passie! En erkenning van de waarde van ons werk: de mensen die we helpen en die daadwerkelijk voelen dat hun leven is verbeterd aangezien ze hun ouders en voorouders beter kunnen begrijpen en mede daardoor zich meer verbonden voelen met zichzelf. Maar daarnaast ook het behoud van cultureel erfgoed, want we digitaliseren alle familiegeschiedenis boeken en we maken foto’s en filmreportages van alle stamdorpen waar we komen.

Wat zijn op korte termijn jullie plannen met My China Roots, je sprak van een “lancering”?

We bouwen een online platform dat overzeese Chinezen in staat stelt om zelf hun zoektocht te beginnen, zelfs als ze geen Chinees spreken. De lancering zal hopelijk rond de aankomende jaarwisseling plaatsvinden. We hebben al een groep investeerders achter ons en we zijn hard op weg ’s werelds grootste database aan te leggen met genealogische bronmaterialen voor overzeese Chinezen. De eerste twee komende jaren ligt onze focus nog vooral bij het digitaliseren en indexeren van traditionele boeken met Chinese familiegeschiedenis (zogenaamde jiapu of zupu) uit Fujian en Guangdong, maar we zullen volgend jaar ook beginnen met grafstenen, financiële bevestigingsbrieven, landengidsen, etc.! Nu al kun je onze gratis demo’s uitproberen, je kunt bijvoorbeeld zoeken op achternaam, op zupu en een stamboom bouwen! Begin met dat laatste en zoek of we al documenten hebben over jouw familiegeschiedenis. En als iemand feedback of op- of aanmerkingen heeft dan horen we dat heel graag! 

De mychinaroots.com achternaam zoekfunctie.

Wat zijn jullie belangrijkste speerpunten?

Ons doel is om mensen en families zich meer verbonden met zichzelf en elkaar te laten voelen, via hun gezamenlijke familiegeschiedenis. In de komende jaren zal onze database uitgroeien met historische documenten die wij uploaden en die vooral over geschiedenissen in China gaan, maar langzaamaan zal er steeds meer informatie zijn die door de bezoekers zelf zal worden aangevuld: foto’s, identificatiebewijzen, ledenlijsten van lokale Chinese verenigingen, noem maar op. Zo zal er ook steeds meer plaats zijn voor de post-migratie geschiedenissen; we zijn nu al in gesprek met begraafplaatsen in Peru, archieven in Maleisië en musea in Amerika over het digitaliseren van al hun bronmaterialen. We zien ons toekomstige platform als een tijdmachine, waarbij je na terugkomst in het heden al je vondsten, meningen en herinneringen met je naasten kunt delen en nieuwe familieleden kunt vinden aan de andere kant van de wereld!


Familiegeschiedenis betekent vaak van de ene verbazing in de andere vallen. Maak je dit zelf vaak mee, kan je misschien een voorbeeld geven?

O zoveel… een Australische klant vond na de dood van haar opa zijn dagboek. Daarin werd duidelijk dat hij een totaal geheim leven had en dat hij helemaal niet die rustige, stoïcijnse man in de comfortabele sofastoel was, maar dat hij een geheime vereniging had opgezet in Trinidad om geld in te zamelen voor Sun Yat-sen’s revolutie. Voor een andere klant vonden we dat zijn over-overgrootvader zijn stamdorp in China had moeten verlaten omdat hij op 16-jarige leeftijd een andere dorpeling had vermoord. Later ontdekten we echter dat zijn echte over-overgrootvader iemand anders was, met precies dezelfde naam en uit precies dezelfde periode. Van de jiapu werden we niet wijs wie-wie was, maar met de grafstenen die we hadden konden we precieze scenario’s uitstippelen en kwamen we erachter dat de echte over-overgrootvader een vredelievende herbalist was. Bij weer een andere familiegeschiedenis kwamen we erachter dat een oud familieconflict terugleidde naar een vader die met de Japanners werkte terwijl de zoon voor de Kuomintang tegen dezelfde Japanners in het leger vocht. En zo zijn er nog veel meer!


Er zijn 1 miljoen Nederlanders met een familiegeschiedenis in de Indonesische archipel en een behoorlijk deel heeft ook Chinese voorouders. Het valt mij op dat velen echt geen idee hebben dat ze hun Chinese roots kunnen onderzoeken. Heb jij ook die ervaring? Waardoor zou dit komen?

Ja, die ervaring heb ik ook, mede daarom ben ik My China Roots begonnen. Zoveel mensen nemen gewoon aan dat het allemaal te lang geleden is, dat “alles wel verdwenen zal zijn”, dat “de culturele revolutie alles heeft vernietigd” en ga zo maar door. Zoveel mensen hebben geen idee dat er zoveel meer bewaard is dan wordt aangenomen en dat vele familiegeschiedenisboeken in de jaren ’80 en ’90 weer opnieuw zijn uitgebracht. Wij hopen deze misverstanden tegen te gaan. 

Wat kun je hen concreet aanbieden?

Ga naar www.mychinaroots.com, probeer gratis de demo tools uit (zie “search records” en “family tree” in het menu), en laat het ons gelijk weten als je vast zit of een vraag hebt.

Verder bieden we leden van de IGV een gratis consulting-call aan, waarbij ze tijdens een video call van 30 minuten alles aan een van onze onderzoekers kunnen vragen wat ze willen. Daarbovenop krijgen IGV-leden 10% korting op al onze op-maat-gemaakte diensten!

Wat we nodig hebben om een op maat gemaakte zoektocht te beginnen, zijn namen van de Chinese voorouders (bij voorkeur in Chinese karakters) en de plek waar ze vandaan kwamen, wederom bij voorkeur in Chinese karakters en zo gedetailleerd mogelijk. Als je wilt weten wat we kunnen doen met ons onderzoek, neem dan een kijkje hier: https://www.mychinaroots.com/report/demo/baisha en hier https://www.mychinaroots.com/samples/zhang-odyssey/

Tot slot, email me gewoon! huihanlie@mychinaroots.com

De Indische Onderzoeker: Roger Knight

0

While most of our members live in The Netherlands, quite a few live abroad. For example, Roger Knight, who dwells on three continents. We ask him about his past and present work.

“I was born and went to university in the UK, but I’ve lived most of my life in Australia and am living there again now after some years in London. We fled here in the middle of March and – I guess I’m an Australian but I’m not really sure of my nationality. I know the Netherlands fairly well too and have lived there rather frequently for many years.”

When did you start researching East Indies history?

A long time ago, back in the 1960s! I researched a thesis on Dutch and British Planters and Estate-Owners in Java in the 1820s – remember this was before the period of Cultuurstelsel – and did much of my work in the old Archief in the Bleijenberg in Den Haag. I made many Dutch friends there and the staff at the Archief were wonderfully helpful. Then I took off to Australia find a job – at the University of Adelaide, in South Australia. I taught colonial and post-colonial Indonesian history. I was the first teacher to do so there. My research interests stayed in Java but shifted to peasants and the sugar industry. Being ‘in de Suiker’ took me back to The Hague many times, and sometimes also to Jakarta. In those days, research leave was very generously given at the University! 

What triggered you at the time to do your research? Which questions did you want to find an answer to?

I guess that as a historian I have always been most interested in people. And the more I got interested in the Java sugar industry, the more I became fascinated by the people who owned and ran it. Most of them, of course, were Dutch or people of Dutch extraction. But among the people who traded in Java’s vast output of sugar it was a ‘transnational’ company with a Scots name, Maclaine Watson, that dominated. Its partners over time were Scots, English, Dutch and German.

What was your best discovery so far?

I guess that my biggest single discovery were two large collections of the personal letters of the co-founder of Maclaine Watson, the Scotsman Gillian Maclaine (1798-1840). I wrote a book about him and the business network, based on Java, that he created. From there I became interested in the small but economically significant Scots contingent in the Indies. Particularly in the handful of Scots and Scots-Dutch families who played key roles in running the firm between its founder’s death in 1840 and the middle decades of the twentieth century. Thanks not least to the very substantial work of Dutch genealogists and to the fact that so many Dutch colonial newspapers and other public records are now available online, I have been able to trace many of the stories of the families involved.


What have you been most concerned with in the past year? You recently published two articles in Dutch Crossing?

I am presently writing a book based on these stories, which are set in the Indies (of course!) but also in the UK and in the Netherlands. My recent publication in Dutch Crossing is about the history of a Dutch-Indonesian family with a Scots name – and with a continuing identification with Scotland. I have been wonderfully helped in this by present-day family members, both in Den Haag and in Melbourne, Australia. They have also been very helpful in enabling me to recover the history of a related Indies-born ‘Scots’ couple, people whose lives revolved primarily around the East Java town of Probolinggo and Den Haag. Together with many wonderful photographs, their story has very recently appeared in the Paris-based journal, Archipel. Both stories, together with much more, will form part of my new book!

A printed version of Rogers book Sugar, Steam and Steel is available here, and the text is a free download here.

Verborgen bronnen

0

Honderden namen op de wanden van de Jatijajar grot in Kebumen, Midden-Java.

Van onze voorouders in Indië, die met alleen een koffer naar Nederland kwamen, weten we vaak alleen wat er in de officiële documenten staat. Geboorte, huwelijk, dood. Een beroep. Gevechtshandelingen. Geboortes van kinderen. Maar wat deden ze in hun vrije tijd?

De Jatijajar grot in Kebumen, een kleine plaats in Midden-Java, werd bij toeval ontdekt in 1802 door een boer die zijn land bewerkte. Het is een toeristische attractie sinds de jaren 1870, en de gewoonte ontstond dat bezoekers hun naam en datum op de grotwand lieten schrijven met teer. Dit kostte 25 cent. Nog steeds staat op de grotwand Ongkos menoelis oentoek 1 orang: 0,25 maar het gebruik is verboden sinds 1974. Honderden namen van laat 19e en 20e eeuwse bezoekers zijn op de grotwand te zien, met de datum van hun bezoek.

Naast bekijken van de namenwand zijn er stalagmieten en stalagtieten te zien. Ook zijn er een aantal natuurlijke bronnen. Er wordt gezegd dat je jong blijft als je het gezicht wast in de bron Sendang Kantil, en dat dromen uitkomen als je dit doet in de Sendang Mawar.

Samen met de Indonesische heritage researcher Sigit Asmodiwongso is de IGV bezig met een index van de namen die voornemens zal worden gepubliceerd in de Indische Navorscher van 2021.

Om zelf te bezoeken: Goa Jatijajar, Jatijajar, Ayah (Minibus naar Jatijajar vanuit Gombong). Open van 8:00-18:00.

Gusti Partini en andere Javaanse vrouwenlevens in de 20e eeuw

0

Op 28 september 2019 hield Madelon Djajadiningrat op verzoek van de IGV en Stichting Zieraad een lezing op de eerste Indische Roots Expertise Dag. De lezing geeft een uniek kijkje in het leven in en rondom de Javaanse Kraton, waarnaar Djajadiningrat in de jaren zeventig onderzoek deed. Hieronder leest u de tekst van haar lezing.

Mijn verhaal zal deels op het koloniale tijdperk terugkijken, deels op Indonesië.

Ik begin met een tekst van de schrijfster Carry van Bruggen. De tekst komt uit haar boek ‘Hedendaags Fetisjisme’. Wie kent haar nog? Zij leefde van 1881-1932, was haar tijd vooruit, en stierf waarschijnlijk door zelfdood. Gezien de gebeurtenissen hierna, zij was Joods, misschien een zege.

Waarom lees ik u deze tekst voor, een tekst die door Carry van Bruggen niet gebaseerd was op het koloniale Indië? Wie weet denkt u na mijn verhaal, ’t zou best ook gekund hebben. Of het toepasselijk is op het verhaal dat ik u zal vertellen, zult u zelf moeten uitmaken. De tekst luidt:

Maar nooit zal de heer met zijn knecht aan één tafel eten of hem zijn dochter tot vrouw geven. [..] Zijn dochter geeft hij, na den ‘eervollen vrede’ aan zijn ‘vijand’ uit dezelfde kaste, die trouwens nimmer wezenlijk zijn vijand was. Zelfs in tijd van oorlog staat de adellijke officier zijn adellijken vijand nader dan den pummel in zijn gelederen. Reeds zijn paarden en zijn honden stelt de ‘Junker’ hooger dan het ‘Pöbel’ waartoe negentig percent van zijn lieve landgenooten behooren.(van Bruggen, 1925, p. 83)

In 1962 leerde ik mijn toekomstige schoonmoeder, Bandera Raden Aju Partini Djajadiningrat, in Brussel kennen. In het kort Gusti (prinses) Partini. Zij was 60 jaar en ik 24. Nederland en Indonesië waren als gevolg van het conflict om Nieuw-Guinea in een onmogelijke situatie beland. Soekarno had de diplomatieke betrekkingen verbroken. Maar mijn toekomstige schoonmoeder wilde met alle geweld naar Nederland om haar oude vrienden te bezoeken. En ook nu liet zij zich door niets van de wijs brengen. Een van haar schoonzoons had inmiddels een diplomatieke functie op de Indonesische ambassade in Bonn en er was geen enkele belemmering om wel naar Duitsland af te reizen. Maar Duitsland was geen Nederland. Brussel, waar wij uit nood besloten bij elkaar te komen, was tenminste een stukje dichterbij.

Wij, toen nog mijn vriend en ik, gingen dus naar Brussel. Mijn vriend had zijn moeder al 10 jaar niet meer gezien. Beiden moesten aan elkaar wennen. Beiden waren andere mensen geworden.

Niet lang daarna was Nederland er eindelijk aan toe om Nieuw-Guinea af te staan. Voor Partini was het allerbelangrijkste dat ze nu naar Holland kon doorreizen om al haar oude vrienden van voor de oorlog weer te ontmoeten. Zij logeerde bij ons, hoewel wij nog ongetrouwd waren, maar dat nam ze op de koop toe. Aan moraliseren deed ze niet.

Voor ons waren het drukke maanden. We stonden met één been nog in het studentenleven en kwamen met het andere in het vooroorlogse leven van politici, diplomaten en hoogleraren. Om het allemaal wat eenvoudiger te maken gingen we dan ook maar trouwen.

Zo leerde ik dus reeds toen, voordat ik een stap in het vliegtuig naar Indonesië had beklommen, de ups en downs van het vroegere koloniale leven, maar vooral – en dat was eigenlijke het belangrijkste – van het Javaanse familieleven.

Wie was mijn schoonmoeder? Zij was de oudste dochter van de vorst Mangkunegoro VII. In de rangorde van de vier Midden-Javaanse vorsten was hij de derde, maar hij was wel de meest moderne. Hij had korte tijd in Nederland bij de beroemde professor Snouck Hurgronje gestudeerd en als officier tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Nederlandse leger dienstgedaan. En om het plaatje nog wat duidelijker te maken, genoot hij samen met zijn vriend, de schrijver en dichter Notosoeroto, in die jaren van het Leidse studentenleven.

Partini was nog een klein meisje en bleef onder de hoede van de twee selirs van haar vader in Solo achter. Wel was er een frequente correspondentie tussen Partini en haar vader, vooral vol goede raadgevingen van vaderskant.

In 1915 wordt Soeparto door de Nederlands-Indische regering teruggeroepen. De zittende vorst, Mangkunegoro de Zesde, had aangekondigd dat hij wilde aftreden, overigens niet gebruikelijk. Het voert echter hier te ver om op het hoe en waarom in te gaan. De beoogde opvolger volgens het gouvernement was Soeparto, zijn neef, maar dat vertelde ze hem voorlopig nog niet.

Op 15 Mei 1915 stapt Soeparto op de boot, na eerst nog zijn opwachting bij minister Colijn gemaakt te hebben. In Indië ging hij, op diens verzoek, op audiëntie bij de Gouverneur Generaal Idenburg. Soeparto had inmiddels al in de gaten dat er wel wat meer aan de hand was. Als opdracht kreeg hij de pestbestrijding op Midden Java ter hand te nemen. Dat was uiteraard niet waar hij op gehoopt had, maar hij begreep dat het gouvernement hem aan de tand wilde voelen wat betreft zijn capaciteiten.

Nadat hij een jaar lang had getoond voldoende kennis en voldoende ervaring te hebben, kon hij op 3 Mei 1916 als vorst van het Mangunegarase rijk geïnstalleerd worden. En zo werd Partini van een dochter van een vorstenzoon, een vorstendochter. Eerst nog de enige, later de oudste van zijn zeven kinderen.

De drie overige Midden-Javaanse vorsten waren: Paku Buwono X, die van 1893-1939 regeerde, de Sultan Hamengku Buwono IX en de Paku Alam VIII van 1937 tot 1998. Paku Buwono zou nog een belangrijke rol gaan spelen in de naoorlogse republiek Indonesia. In feite worden deze vorsten, inclusief de Mangku, ook nu nog beschouwd als de laatste werkelijke Javaanse vorsten. Hiermee doelt men vooral op het feit dat zij ieder op een geheel andere wijze voldeden aan het beeld dat men zich toentertijd van vorsten wenste.

In al de vier vorstenhoven leefde men als in een zelf besloten gemeenschap. Er was een eigen administratie, eigen personeel en eigen bevoorrading. Er waren werkplaatsen voor onderhoud en het maken van meubels, beelden en muziekinstrumenten, stallen voor de paarden en een eigen autopark. De Mangkunegaran had als enige nog een eigen leger.

Gusti Partini met haar drie bediendes (tevens speelkamaraadjes) en haar hond Kapri; 1918 (bron)

Partini krijgt een goede opvoeding, evenals haar jongere zusjes. De meisjes zijn allen op een Europese lagere school geweest, twee daarna op de van Deventerschool, één op de Christelijke Mulo in Solo. We spreken dan over de jaren twintig en begin dertig. Thuis kreeg Partini nog aanvullend onderwijs tot het niveau van het klein­ambtenarenexamen (= getuigschrift lager onderwijs t/m 7e klas), een andere dochter heeft zelfs de AMS (Algemeen Middelbare School) in Jogja doorlopen. De zoons zijn alle drie na hun lagere school in Solo en Batavia op de middelbare school geweest.

Als in 1919 het Java Congres in Solo wordt gehouden, wordt Partini op 17 jarige leeftijd geacht hieraan deel te nemen. Daar wordt zij voorgesteld aan, naar later blijkt, haar toekomstige echtgenoot: de van afkomst Bantammer, prof. Dr. Hoesein Djajadiningrat.  

Een jaar later begint in Batavia na een prachtige huwelijksceremonie haar leven met Hoesein Djajadiningrat. Ze krijgen zes kinderen, drie meisjes, en drie jongens, waarvan een tweeling. Als partner van haar man speelt Partini in het Bataviase leven een belangrijke rol, ook onder de Nederlandse hoogleraren en bestuursambtenaren en hun echtgenotes. Maar het is haar niet genoeg. Zij wil haar talent een kans geven en gaat een boek schrijven, tegen de zin van haar vader en van haar echtgenoot. Haar vader is bang dat zij te veel het hofleven naar buiten brengt en haar man, inmiddels hoogleraar, was een typische geleerde van die tijd en zag niet veel in romanschrijverij. Voor meisjesboeken had hij niet alleen geen belangstelling, maar ook hij was bang dat zij te veel uit de school zou klappen. Tot aan de uitgave van het boek, dat na de oorlog in het Indonesisch vertaald werd en als verplichte literatuur op de schoollijst stond, heeft hij de roman Widijawati genegeerd alsof het niet bestond. Toch was hij een aardige man.

Partini zet door en wordt bijgestaan door de schrijfster Diet Kramer, die in 1934 naar Batavia was gekomen om in het huwelijk te treden met de rector van het Bataviaas Lyceum.

Helaas heeft Diet Kramer nagelaten een aantal personen uit het verhaal te schrappen. Het boek zou gewonnen hebben met een veel strakkere stijl. Vaak zie je door de vele hoven de spelers niet meer. Misschien was dat ook de reden dat haar man en haar vader er zich maar liever niet mee wilden bemoeien.

Het boek gaat over de worsteling van een meisje, in dit geval het Javaanse meisje Widijawati, of wel Widati. Widati heeft een stiefmoeder, welke vorm krijgt als de typische stiefmoeder, gemeen en liefdeloos. Hierin verwerkte Partini haar eigen verlies van een moeder. Ze wordt verliefd op Rawinto, die naar Holland gaat om te studeren. Als hij terugkomt, wordt hij echter gedwongen om met de dochter van een regent te trouwen. Widijawati besluit een eigen pad te volgen, wordt onderwijzeres en volgt ook een opleiding voor verpleegster. Als duidelijk wordt dat zij nooit met haar geliefde zal kunnen trouwen, besluit ze naar Nederland te gaan voor verder studie.Op het laatst ontmoet zij Rawinto toch nog. Hij vertelt dat zijn vrouw gestorven is en smeekt Widati op Java te blijven en met hem te trouwen. Zij blijft echter bij haar besluit en gaat naar Holland.

De vraag is, of liever gezegd mijn vraag is: Had zij zelf dat ook graag gewild?
Wat in een verhaal mogelijk is, is dat meestal niet in het echte leven.

Het boek is na de oorlog in het Indonesisch vertaald en werd verplichte literatuur op de Indonesische scholen, maar in hoeverre hebben de na-oorlogse meisjes zich in het verhaal kunnen herkennen? De kolonie was verdwenen en hiervoor in de plaats kwam de nieuwe staat Indonesië. Ook was aan de vorstenadel een geheel andere plaats toebedeeld.

Inmiddels is net een ander boek verschenen. Misschien enigszins gebaseerd op Widijawati. De titel is Lichter dan ik, van Dido Michielsen. Speelt Widijawati in de dertiger jaren en kiest zij voor een eigen leven, Isah, de hoofdpersoon in dit boek, is geboren in 1850, ruim 50 jaar voor de geboorte van Partini.

Hoewel het hof niet bij naam genoemd wordt, denk ik dat de schrijfster het hof van de Sultan van Jogya in het hoofd had. De moeder van Isah is batik expert en behoort niet tot de adel, maar woonde wel op het terrein van het hof. Niemand kan mooiere batik vervaardigen dan zij. Voor Isah staat ook een echtgenoot in de wacht. Zij probeert hieraan te ontsnappen door iedere dag weg te sluipen naar het huis van een Hollandse militair. Aanvankelijk zit ze nog bij hem op de stoep en probeert zo goed als kwaad gesprekken met hem te voeren. Nederlands kende ze niet, de militair ook geen Maleis, om van het Javaans maar niet te spreken. Maar uiteraard vindt de militair het een aardige afleiding, als hij ’s avonds op zijn terras een sigaret aan het roken is.

U voelt het al, tenslotte komt Isah bij hem in het bed en wordt zij zijn njai. Ze krijgt kinderen, wordt behandeld zoals over het algemeen een njai behandeld wordt. Haar dagelijkse leven is redelijk aangenaam, zowel in bed als hoofd van de huishouding en moeder van haar kinderen, maar dit verandert subiet als er Hollanders op bezoek komen. Dan is haar plaats die van moeder van haar kinderen en bedgenoot van haar man. Getrouwd wordt er niet, dat doet de heer des huizes tenslotte met een Nederlandse vrouw. Haar verdere leven zal Isah van het ene huishouden naar het andere zwerven. Tenslotte worden in een van de huizen haar kinderen in de familie opgenomen en ook die familie gaat terug naar Holland en neemt haar kinderen mee.

Ik vroeg me ook af hoe het verhaal over de kinderen in Nederland verteld zou worden. De kindertjes waren half bruin of half wit, hoe je het maar wil noemen.

Eenmaal in Nederland zal het verhaal van de njai waarschijnlijk niet begrepen worden en misschien werd de man des huizes er wel op aangekeken. En bovendien was het verhaal dat de moeder van de kinderen bij het hof van de Sultan had gehoord en gevlucht was voor een gedwongen huwelijk niet eens onwaar, maar dat betekende nog niet dat die moeder een prinses was. En om op Carry van Bruggen terug te komen, ook toen gold dat ‘nooit de heer, in dit geval de vorst, zijn dochter aan “een Nederlander” ten huwelijk zou geven’.

Het is natuurlijk maar een verhaal en daarin kan alles, maar hoe vaak kreeg ik na mijn lezing over Vorst tussen twee Werelden niet van vrouwen te horen – het waren altijd vrouwen – dat ze ook van Javaanse, adellijke afkomst waren. Na Lichter dan ik dacht ik: ‘Misschien werd zo aan de misstappen van de Hollandse heren een mooier tintje gegeven’.

Maar terug naar de werkelijkheid van de kraton of in dit geval de astana.

In 1970 kreeg ik de kans om onderzoek te doen in de Astana Mangkunegaran in Soerakarta. Ik was benieuwd naar het toen hedendaagse familieleven in de vroegere kratons of astana en naar het proces van priyayisering in de steden van het moderne Indonesië. De term priyayisering komt voort uit het feit dat de burgerij die in Jakarta het beleid in handen had, aanvankelijk meestal uit priayi families afkomstig was en Nederlands onderwijs had genoten, vaak ook aan Nederlandse universiteiten.

Dankzij de voorspraak van mijn schoonmoeder mocht ik in de Astana Mangkunegaran logeren. Het bed waarin eens vlak voor de oorlog Rabindranath Tagore had geslapen werd het mijne. Mooier kan je het als onderzoeker niet krijgen. De tegenstelling tussen diens idealisme van voor de oorlog en de situatie in 1970 kon niet groter zijn. De staatsgreep van 1965 en de moordpartijen op zogenaamde communisten hierna sidderden nog na.

Zolang ik nog binnen de muren van het Astana complex bleef, leek het alsof de wereld nog niet veranderd was, ook al was het leven er vele malen soberder geworden. Ik kon vrijuit met iedereen praten, zolang het vrouwen waren. Dat wil niet zeggen dat ik geen mannen sprak, maar dat was veel minder persoonlijk.

Als men vanuit de drukke overvolle straten binnen kwam, zag men op het stille plein de prachtige Pendopo liggen, naar zeggen de grootste van Java. Bij de poort ontmoette ik de wachters, resten van het Mangkunegarase legioen. Links en rechts van de dalem zijn de woonverblijven. Links de vrouwelijke gezinslieden, rechts de mannen. Opzij de Prangwedanan, het verblijf van de oudste zoon. De woonverblijven van vorst en vorstin waren gescheiden; begrijpelijk als men denkt aan het complexe huwelijksleven.

’s Morgens kleedt de vorstin zich uitvoerig in het gezelschap van haar zusters, weduwen die op het terrein van de Astana wonen, vriendinnen en bedienden. Ook ik mocht hierbij zijn. De dagelijkse dingen werden besproken en dat wat er op die dag moest gebeuren. De sfeer is informeel.

De vrouwen die ik wilde interviewen, kon ik zo uitkiezen. Zij kwamen op mijn uitnodiging echter nooit alleen. Er was altijd een bediende bij, maar dat was geen bezwaar. Zij kenden geen Nederlands en konden het gesprek dus niet volgen.

Ik zal u een paar van de levensverhalen vertellen. Mocht u de genoemde boeken gaan lezen, dan kunt u zich een beeld vormen in hoeverre de romans kunnen concurreren met het werkelijke leven in het voor- en naoorlogse Javaanse vorstenleven.

De vrouwen die ik mocht interviewen, waren niet alle van dezelfde afkomst. Drie waren regelrechte afstammelingen van de Sunan of van de Mangku Negoro. Eén was van lage adel en één kwam uit de dessa. Geen van allen was in staat geweest in hun jeugd invloed uit te oefenen op hun eigen lot, noch wat hun scholing, noch wat hun huwelijk betreft. Bij alle vijf is opleiding en huwelijk ondergeschikt gemaakt aan de sociale plaats die zij later zouden moeten innemen en deze plaats was reeds bepaald door hun afkomst. Niemand had echter op een oorlog en revolutie gerekend. Nooit was de opleiding die zij ontvangen hadden bedoeld ter ontplooiing van eigen mogelijkheden. Ook in het geval van Matusari, een begenadigde zangeres, was de ontwikkeling van haar talent niet voor haar zelf maar ten dienste van de vorst. Zij mocht geen huishoudster zijn, geen moeder, wel bedgenote, maar toch ziet zij dit leven als een kans en als een vergroting van mogelijkheden die zij vanuit haar eigen achtergrond nooit gekregen zou hebben. Het voordeel van een vakopleiding laat zich hier ook duidelijk tonen. Immers toen zij de bescherming van de vorst verloor, was zij zeer goed in staat een eigen en onafhankelijk leven als zangeres op te bouwen, waarop zij met zeer veel genoegen terugkijkt.

De wijze waarop de andere vrouwen gereageerd hebben op de beslissingen die voor hun genomen waren, was bij ieder verschillend. Het gevoel van protest ten opzichte van een gedwongen huwelijk was het grootst bij degene die de plaats van selir kreeg toegewezen. Over de echtgenoot die de vrouwen gekregen hadden waren achteraf weinig klachten. ‘Het was een goede man’ en misschien was dat ook het uiterste wat men verwachten kon.

De reden dat niet veel vrouwen in Solo succes hadden bij hun pogingen een eigen arbeidsterrein op te bouwen, ligt waarschijnlijk het meest aan de beperkte mogelijkheden van Solo na de revolutie. Een voorwaarde voor succes was op zijn minst dat men zijn hoofd afwendde van de zelfgenoegzaamheid van het hof en Solo en zijn blik wendde naar Jakarta. En hiervoor had men als vrouw toch weer de steun van een man nodig, die een relatie met de moderne Indonesische staat moest hebben. Laat dit nou juist de reden zijn dat deze vrouwen gingen werken of handelen; hun echtgenoten konden geen aansluiting vinden bij de Indonesische staat. We zien dan dat inmiddels niet de vorstenband, maar de band met de Indonesische staat een voorwaarde is voor succes en dat het Huis hoogstens een steun en een achtergrond kan zijn.

De situatie in Jakarta was moeilijker te benaderen dan in Solo. In Solo kon ik uitgaan van een kleine gemeenschap.  Door daarin te participeren leerde ik mijn informanten kennen: hun dagelijkse leven, de instituten en de organisaties in die gemeenschap. Dat was in Jakarta niet mogelijk. Van een gemeenschap, zoals door mij gebruikt voor de Solose situatie, was geen sprake. In Jakarta woonden de leden van het Mangku Negarase Huis verspreid over de hele stad, in verschillende buurten en soms heel ver van elkaar.  Hun inkomen betrekkend uit werk dat in geen enkel opzicht meer ten dienste van het Mangku Negarase Huis was. Wel was er sprake van een sociaal verkeer tussen de leden van Huis op basis van een familierelatie, waarbij sympathie meer bepalend was voor de mate van intimiteit. Vooral de vrouwen onderhielden het sociale netwerk. De bijeenkomsten van de trah, de slametans, de verjaardagen, huwelijken en dergelijke zijn alle gelegenheden waarop goederen en diensten kunnen worden uitgewisseld. Geld voor juwelen en andersom, geld uitgezet en geld geleend, huizen verhuurd en huizen verkocht; met dit alles houden vooral de vrouwen zich bezig en niet de mannen.

Bovendien hadden de vrouwen die in dit netwerk een werkkring hadden opgebouwd het gevoel te voldoen aan een norm die de Indonesische samenleving zeer hoog acht, namelijk als moeder het gezin door de moeilijke tijden te loodsen. Moeder zijn betekent dan niet alleen het verzorgen van kinderen en huis, dat kunnen ook de armere familieleden en bedienden doen.  Verzorgen heeft hier een veel ruimere betekenis. Een lerares is ook een Ibu (moeder). Zij heeft een taak voor de kinderen van de Indonesische maatschappij. Een ongetrouwde vrouw met een maatschappelijke functie is ook een Ibu, ook al heeft zij alleen in haar functie met volwassenen te maken, immers alle Indonesiërs zijn kinderen van de Indonesische staat. Een moeder die handelt, zorgt dat haar gezin en alle minderbedeelde familieleden te eten en scholing krijgen. Dat is een taak die in hoger aanzien staat dan de directe stoffelijke verzorging. Je zou kunnen zeggen dat alles wat de vrouw doet gerechtvaardigd kan worden in de context van de Ibu. Want nergens, noch in de literatuur noch in de interviews wordt individuele ontplooiing als reden genoemd voor datgene wat men doet. Maar dit geldt evenzeer voor de Indonesische mannen. Emancipatie zal in de Indonesische context een andere vertaling behoeven dan in de Westerse.

Een Ibu hoeft zich ook minder te houden aan de formele spelregels, zoals de man, die aan de spelregels van zijn functie gebonden is. Het Ibuschap is een soepel, handzaam en bewegelijk gereedschap om jezelf en je gezin te voorzien van een stevige en liefst hoge sport op de maatschappelijke ladder. Het HUIS (de afkomst), de trahs, de familieorganisaties en de slametans zijn de werkplaats waar de vrouwen dit gereedschap kunnen hanteren.

Via dit Ibuschap komt er ook een rolintegratie tot stand. Op deze wijze kan de vrouw voldoen aan de eis een goede echtgenote te zijn, een goede moeder, een goed lid van de verwantengroep, een goed lid van de Indonesische samenleving en bovendien heeft zij dan ook nog de satisfactie van eigen succes.

Aan u de keus wat u zou prefereren, stel dat u de keuze had.

Ik heb gezegd.

Dit artikel zal in druk verschijnen in de Indische Navorscher van 2021.

Referenties

Carry van Bruggen, Hedendaags Fetisjisme (1925) p. 83, Querido. Amsterdam

M. Djajadinigrat-Nieuwenhuis (ongepubliceerd). Verslag van onderzoek in 1972 onder vrouwen uit Middenjavaanse vorstenkringen in Jakarta en Solo. Bijlage bij: Hedendaags Priyayisme in Indonesië. Doctoraalscriptie Culturele Anthropologie, Universiteit van Amsterdam.

Dido Michielsen (2019). Lichter dan ik. Hollands Diep. Amsterdam.

Rd. Aju Partini (1986). Recollections of a Mangkunagaran princess. PT Djambatan. Jakarta.

Arti Purbani (pseudoniem voor Rd. Aju Partini) (1948). Widijawati. Het Javaanse Meisje. Amsterdam.

Etniciteit. Geeft een DNA-test antwoorden?

0

Deze pagina is alleen zichtbaar voor IGV leden. Bent u lid? Inloggen kan hier. U kunt hier direct lid worden, al voor €24 per jaar. Als u lid wordt in de laatste vier maanden van het jaar loopt uw lidmaatschap tot het einde van het volgende jaar. Eerst meer weten? Lees alles over de IGV hier, en neem een kijkje in de publieke versies van onze nieuwsbrief, IGV Nieuws.

Als lid bent krijgt u 50% korting in onze webshop, dus ook op onze USB stick bestseller set met tienduizenden pagina’s doorzoekbaar materiaal – wat simpelweg niet op onze website past. 

Recent Nieuws