Home Blog

IGV USB sticks nu beschikbaar!

1

Nu beschikbaar: IGV Publicaties en Bronnen USB sticks

De Indische Genealogische Vereniging heeft dit jaar hard gewerkt aan het verzamelen en verwerken van IGV publicaties en Indisch bronmateriaal.

Dit heeft geleid tot twee USB sticks: IGV Publicaties en IGV Bronnen. Beide USB sticks zijn apart of tezamen te koop in de IGV webshop. Deze twee dragers van Indisch bronmateriaal vormen een onmisbare aanvulling voor het onderzoek naar je Indische familie en bevatten samen 34 GB aan informatie en 190.000 doorzoekbare pagina’s. 

De IGV Publicaties USB stick is een vernieuwing van de uitverkochte IGV-DVD en bevat o.a. alle IGV publicaties uitgegeven t/m het jaar 2014. De nieuwere uitgaven dienen nog apart in de webshop te worden gekocht. Net als de oude IGV DVD bevat de USB stick ook een index (handleiding) die het zoeken op trefwoorden mogelijk maakt. Daarnaast maakt de USB stick ook gebruik van bladwijzers die het gebruikersgemak nog meer vergroten.

De IGV Bronnen USB stick bevat veel informatie waaronder Indische Almanakken en Adresboeken die ooit op een DVD uitgegeven werden, maar tegenwoordig niet meer verkrijgbaar zijn. Daarnaast bevat de Bronnen stick een enorme hoeveelheid aan extra gegevens.  Net als de IGV Publicaties stick, maakt ook deze USB stick gebruik van bladwijzers. Op deze USB stick is geen index aanwezig vanwege de grote hoeveelheid pdf’s, maar kan met behulp van Adobe (gratis) toch in één keer worden doorzocht op trefwoord. Klik hier voor een handleiding hoe dit te doen.

De inhoud van beide USB sticks kan worden gevonden in de productomschrijving van de USB sticks in de webshop.

 

Met grote dank aan IGV-lid Dennis van der Jagt voor zijn enorme inzet om al dit bronmateriaal voor iedereen toegankelijk te maken.

Invoer compleet: 169.328 naar Oost-Indië uitgezonden Europese soldaten geïndexeerd

0

Het was een behoorlijke klus, maar alle scans van de Suppletiefolio’s zijn geïndexeerd. Een aantal scans waren leeg, en er blijven 169.328 soldaten over die nu binnen enkele seconden terug te vinden zijn, inclusief een link naar het originele digitale bestand. U kunt de ruwe data nu al downloaden. Na controle zal de index ook via het Nationaal Archief en Open Archives te benaderen zijn. Veel dank aan Jeroen van Luin en alle vrijwilligers die hebben meegeholpen om deze gigantische klus te klaren, waarmee we eind 2018 zijn begonnen.

Een van de scans uit de Suppletiefolios

Door middel van de index is snel de beschrijving en loopbaan van de militair te vinden. Zo staan geboortedatum en -plaats standaard vermeld, evenal de ouders en uiterlijke kenmerken.

Ook kunt u via andere stamboeknummers die op de scan staan vermeld (Algemeen Stamboeknummer) soms meer informatie over de militair te weten komen.

Hiermee nadert het derde grote indexeringsproject van IGV en Jeroen van Luin haar voltooiing. Eerder indexeerden wij het Korps Pupillen en het Oost Indisch Boek.

De Indische Onderzoeker: Suze Zijlstra

0

“Vrouwen bleken juist opvallend aanwezig”

Ieder kwartaal laten wij een door de wol geverfde Indonesische of Indische onderzoeker aan het woord, dit maal Suze Zijlstra, van wie binnenkort het boek De Voormoeders verschijnt. Zij ruilde haar academische loopbaan op het gebied van koloniale geschiedenis in voor de vrijheid van een schrijversbestaan. We vragen naar haar nieuwe boek en hoeveel terug te vinden is van de vrouwenlevens van haar voormoeders in Oost-Indië, zowel in de koloniale- als in de VOC-tijd.

  • Je bent onderzoeker geweest in Leiden op het gebied maritieme en koloniale geschiedenis. Best een breed onderzoeksterrein, waar Nederlands-Indië maar een klein onderdeel van zou hoeven te zijn. Heeft je Indische familiegeschiedenis een rol gespeeld bij de keuze van je studie en onderzoeksgebied?

Mijn Indische familiegeschiedenis heeft zeker een grote rol gespeeld bij mijn studiekeuze en verdere specialisatie. Mijn Indische oma vertelde altijd verhalen over haar verleden, zij is in 1955 met haar man en kinderen (onder wie mijn moeder) naar Nederland gemigreerd. Ze had natuurlijk heel veel herinneringen aan de tijd daarvoor. Die herinneringen deelde ze altijd graag met haar kleinkinderen; de mooie verhalen althans. Op school kreeg ik juist weinig over deze koloniale geschiedenis te horen, omdat het vooral over Nederland in Europa ging. Dat motiveerde me om juist tijdens mijn studie en in mijn werk me meer in Nederlandse koloniale geschiedenis te verdiepen.

  • Onderzoek is vaak een reis met veel onverwachte ontdekkingen. Kan je misschien een voorbeeld hiervan noemen uit je academietijd?

Het valt me wel op dat over bepaalde onderwerpen in het koloniale verleden nog wel eens wordt gezegd dat er geen bronnen over zijn. Bij mijn promotieonderzoek over zeventiende-eeuws Suriname bijvoorbeeld, werd me door een hoogleraar verteld dat deze periode toch wel erg lastig onderzoeken was, omdat er nauwelijks wat over te vinden zou zijn. Dat viel gelukkig erg mee, je moet soms alleen meer moeite doen om bepaalde bronnen te achterhalen. Je moet andere vragen stellen, de bronnen op een andere manier benaderen. Juist als je minder gerepresenteerde perspectieven wilt onderzoeken, kost het vaak meer tijd en moeite. 

  • Sinds kort richt je je meer op persoonlijke of familiegeschiedenis. Zou dit soort onderzoek ook mogelijk zijn in een academische setting?

Ik zou willen van wel, want volgens mij verrijkt het onze blik op het verleden. Je ziet zeker dat academici geïnteresseerd zijn in sociale netwerken en de manier waarop families in het verleden functioneerden. Volgens mij kan genealogische kennis hier veel aan bijdragen. Maar een persoonlijke benadering past weer minder in academische publicaties, want je wordt geacht je gevoelens buiten je verslaglegging te laten. Ik denk dat de schrijver van een persoonlijke familiegeschiedenis juist onderdeel is van het verhaal, inclusief gevoelens over dat verleden. 

Voor mij bleek het bovendien lastig, omdat in een academische setting vooral verwacht wordt dat je Engelse artikelen schrijft, niet een Nederlands boek voor een breder publiek. Voor dat laatste is moeilijk wetenschapsfinanciering te vinden, ook omdat projecten vaak over een kleiner tijdsbestek horen te gaan dan de afgelopen driehonderd jaar waarover ik in mijn boek schrijf. Ik vond het belangrijk om dit boek te schrijven en ben heel blij dat ik het heb kunnen doen. Maar het betekende ook dat het een stuk lastiger was om als academisch onderzoeker volgens de heersende normen competitief te blijven. Mijn publicatielijst is immers heel anders geworden dan eigenlijk verwacht wordt. Toen vorig jaar mijn tijdelijke academische aanstelling in Leiden afliep en er alleen maar tijdelijke vervolgbanen waren om op te solliciteren, heb ik dan ook moeten besluiten om ander werk te gaan doen, zodat ik daarnaast mijn boek rustig kon afschrijven. Het was een goede beslissing, maar ik vind het ook heel jammer, al was het maar omdat ik denk dat studenten zo veel van dit type onderzoek kunnen leren. Juist door een persoonlijke benadering krijg je een heel andere blik op het verleden. 

  • Binnenkort komt je boek uit De Voormoeders. Hoe is dit boek ontstaan? Kan je misschien alvast een of twee verrassende ontdekkingen prijsgeven?

Het is ontstaan toen ik filmpjes zag van het Nationaal Archief over nazaten van ‘VOC-voorouders’. Maar de voorouders die genoemd werden, waren eigenlijk alleen maar mannen, die bovendien terugkeerden naar Europa. Ik wist dankzij een stamboom van de familie Rosenquist die Roel de Neve een tijd geleden heeft gepubliceerd in de Indische Navorscher, dat dit in mijn familie anders was gegaan. De eerste Rosenquist die met de VOC naar Azië ging, bleef daar en trouwde in Makassar met een Europees-Aziatische vrouw, Jacoba Happon. Juist door de vrouwen in Azië bleef de naam Rosenquist daar voortbestaan, tot en met mijn overgrootmoeder Cornelia Frederika Rosenquist, die ik nog heb meegemaakt. Ik wilde meer weten over hun levens. 

Toen ik aan dit onderzoek begon, dacht ik eigenlijk dat het moeilijk zou zijn om daadwerkelijk bronnen te vinden over deze vrouwen, zeker wat betreft de achttiende eeuw. Het gaat toch in het archief van de VOC om handel, bestuur en oorlog, en om de mannen die voor het bedrijf werkten. Maar vrouwen bleken juist opvallend aanwezig, toen ik eenmaal op zoek ging. Zo vond ik een inboedel van een erfenis die de zus van een verre voormoeder aan deze voormoeder naliet: enorm gedetailleerd, tot het kleinste sambalbakje aan toe! Dat was een heel bijzondere vondst. De vrouwen die ik tegenkwam hadden wel een bepaalde status. Dat is in mijn boek ook een belangrijk thema, het is een terugkerende vraag: wie vinden we nou in dat archief? En wie juist niet? En wat zegt dat dan over dit verleden?

  • Ben je voor dit boek ook in Indonesië geweest om historisch onderzoek te doen (à la Philip Dröge) of was het vooral archiefonderzoek? 

Ja, ik ben voor dit boek naar Indonesië gegaan, voor het eerst in mijn leven zelfs! Daar ben ik langs plaatsen gegaan die in mijn familiegeschiedenis een belangrijke rol speelden. Je leest de verhalen en de bronnen toch weer anders als je daadwerkelijk op een plek bent geweest, de lucht hebt ingeademd en de temperatuur hebt gevoeld. Het was een heel raar idee dat ik na zo veel jaar eindelijk in het geboorteland van mijn moeder was. Die reis en mijn ervaringen daar heb ik in het boek verwerkt. 

  • Heeft oral history een rol gespeeld?

Absoluut. Zoals ik al noemde, vertelde mijn oma vroeger veel over haar geschiedenis. Zij leeft helaas niet meer, maar ik heb toen ik student was (ondertussen zo’n vijftien jaar geleden) haar verhalen op cassettebandjes opgenomen. Die opnames zijn een heel belangrijke bron geweest en bovendien persoonlijk bijzonder waardevol. Mijn studenten moedigde ik dan ook altijd aan iets vergelijkbaars te doen, als zij nog grootouders of andere oudere familieleden hadden om over hun verleden te vragen. Daarnaast ben ik zelf natuurlijk bij andere familieleden langs geweest, al kon dat vanwege de coronacrisis minder uitgebreid dan ik in eerste instantie had gehoopt. Verder voeg ik uiteraard mijn eigen herinneringen aan het boek toe. 

  • Over welke aspecten van de Indonesische geschiedenis wordt volgens jou te weinig gesproken of onderzoek naar gedaan? 

Ik vind het heel mooi om te zien dat juist het onderwerp waar ik in geïnteresseerd ben, vrouwen in deze geschiedenis, tegenwoordig zo veel meer aandacht krijgt. Met mijn boek wilde ik daar een bijdrage aan leveren. Maar net zoals er eindeloos veel boeken zijn volgeschreven over mannengeschiedenis, is er naar mijn idee meer dan genoeg ruimte voor nog veel meer mooie boeken, studies, exposities, en wat al niet meer over vrouwen in het Indonesische verleden. 

  • En tot slot: heb je mtDNA al laten bepalen voor een andere blik op je vrouwelijke Aziatische afstamming?

Ik heb het serieus overwogen, want ik weet dat het veel kan opleveren. Uiteindelijk vond ik het toch een te vervelend idee dat ik mijn DNA aan een commercieel bedrijf moest toevertrouwen, dus ik heb het niet gedaan. Maar wie weet, misschien laat ik me in de toekomst toch door mijn nieuwsgierigheid verleiden…

  • Hartelijk dank!

Suze’s boek is vanaf 7 september verkrijgbaar bij de boekhandel, ook in ePub-formaat (maar nu al te bestellen).

De Indische Navorscher 2021: in druk, pdf of ePub

0

De nieuwe Indische Navorscher is uit, het jaarboek van de IGV. Voor het eerst dit jaar in kleur. Boekleden van de IGV krijgen het boek toegestuurd, en digitale leden kunnen een digitale versie downloaden. Voor het eerst dit jaar ook in ePub formaat, zodat u comfortabel de digitale Indische Navorscher kunt lezen op uw e-reader – op reis, op de camping of in bed.

Slaapverwekkend? Zeker niet. Er is veel variatie aan artikelen. De redactie schrijft:

“In dit Jaarboek van de IGV zijn allereerst interessante genealogische artikelen opgenomen over de Indische geslachten Risa, Boyd, Bamberg, Van Hien, Vacquier en Godin, al dan niet voorafgegaan door een biografie. Ook werden bijdragen geplaatst waarin aspecten van het Indische leven aan de orde gesteld worden, zoals het dramatische verslag van een reis naar Batavia en de herinneringen van een reislustige achttiende-eeuwer.

Daarnaast gaat het over de verandering van het ambtsgewaad van Gouverneur-Generaals, over opvattingen van de bekende genealoog Bloys van Treslong Prins en over een beruchte Woodbury-foto.

Verder zijn er lijsten te vinden van apothekers in de periode 1816-1840; persoonsgegevens uit 1812, gepubliceerd in de Java Government Gazette, en aanvullingen en verbeteringen op eerdere publicaties in de Indische Navorscher.

Ten slotte kunt u hierin de boeiende lezing vinden die Madelon Djajadiningrat gehouden heeft over Gusti Partini en andere Javaanse vrouwen.”

U kunt hier een exemplaar bestellen voor €28 exclusief verzendkosten. Als boeklid van de vereniging (€38 per kalenderjaar in Nederland) krijgt u het boek franko thuisbezorgd, en heeft u alle voordelen van het IGV lidmaatschap.

De digitale uitgaven kunt u hier voor €14 bestellen (u krijgt twee bestanden, de pdf en de ePub). Als digitaal lid van de vereniging (€24 per kalenderjaar), krijgt u de twee bestanden gratis.

Eerst lid worden? Klik dan hier!

Digitale conservering van kerk- en bestuursarchieven op de Molukken en Banda

1

Op zaterdag 19 juni gaf Dr. Hendrik E. Niemeijer een lezing over digitale conservering van o.a. kerkregisters op de Molukken. Meer dan 500 kerkboeken en andere archieven zijn opgespoord, soms per speedboot, en op Saparua gescand. Binnenkort komen de eerste scans on-line. Sommige archieven doken op in oude laatjes, op stoffige zolders, en een collectie van 32 delen is op miraculeuze wijze bewaard gebleven in een privéhuis. Een grote hoeveelheid doop- en trouwaktes dook op in de Barbar-archipel, met talloze Molukse familienamen vanaf 1915. Hieronder vindt u de transcriptie van de lezing, die in een andere vorm gepubliceerd zal worden in de Indische Navorscher 2022.

Ik zal mijzelf even in het kort voorstellen. Mijn naam is Henk Niemeijer voluit Hendrik E. Niemeijer, dat is mijn schrijversnaam. Ik ben historicus, gepromoveerd aan de VU in 1996 bij professor G. J. Schutte. Mijn leermeester was vooral A. Th. van Deursen, de Gouden Eeuw-deskundige, en mijn co-promotor was destijds Heather Sutherland en zij is Indonesië deskundige. Ik heb mijn dissertatie geschreven over Batavia in de zeventiende eeuw en in die jaren 90, om precies te zijn augustus/september 1993, kwam ik voor het eerst in het ANRI in Jakarta en sinds 1993 ben ik jaarlijks teruggeweest in het ANRI. Soms had ik maar een paar weken de tijd om daar onderzoek te doen, soms ook een heel jaar, zoals in 1997. Tijdens mijn dissertatie-onderzoek aan de VU, ik zat eigenlijk in de groep van promovendi die zich verdiepten in de geschiedenis van de gouden eeuw, de zeventiende eeuw, en ik was een van de twee die zich specialiseerde in VOC archieven.

Dat kreeg een vervolg aan de theologische universiteit in Kampen, destijds, de THUK, waar ik een plek kreeg bij de vakgroep missiologie en kerkgeschiedenis. Wat was namelijk het geval? Gelijk toen ik naar Indonesië kon gaan in 1993 ben ik doorgevlogen van Jakarta naar Ambon, voordat ik in het ANRI mijn onderzoek begon, en van Ambon ben ik doorgevlogen naar de Banda eilanden. Daar trof ik in de kerk van Banda Neira, ik had daar iets over gehoord, een prachtig kerkelijk archief aan uit de negentiende eeuw. In het laatste jaar van mijn dissertatie-onderzoek heb ik plannen uitgewerkt en wij hebben vanuit Kampen een groot voorstel ingediend bij de Koninklijke Academie voor Wetenschappen in Amsterdam. Tot onze verbazing, maar tot ons groot genoegen kregen wij 900.000 gulden om op zoek te gaan naar bronnen betreffende de kerkgeschiedenis van de Molukken.

In ’96, ’97 heb ik het daar heel druk mee gehad. Ik ben opnieuw teruggegaan naar de Banda eilanden en heb met hulp van de historici van de theologische faculteit van de Universitat Kristen Indonesia Maluku (UKIM) een gedeelte van het archief dat in de kabinetten lag in de kerk van Banda Neira naar de de UKIM universiteit in Ambon gebracht. Dat hele project was zo opgezet dat onderzoeker dr. Chris de Jong zich zou concentreren op de Midden-Molukken in de negentiende en twintigste eeuw. Mariëtte van Selm, een VU-promovendus, was aangesteld om de Banda eilanden te doen en mijn taak was om de zeventiende en achttiende eeuw uit te spitten. Het project werd natuurlijk zwaar gehinderd door het uitbreken van de godsdiensttwisten op Ambon in  1998 en 1999 en wij moesten onze zoektochten staken. Voor mij was dat wat minder relevant, omdat ik grote hoeveelheden documenten in het ANRI had gevonden.

Dat hele Molukkenproject heeft geduurd tot 2001, en heeft geresulteerd in verschillende bronnenpublicaties. Chris de Jong heeft twee delen gepubliceerd over de Midden-Molukken; Mariëtte van Selm, één deel over de Banda eilanden; en toen ik naar de Leidse universiteit kwam in 2000, was dat met de handen in het haar (wat ik nog overhad) want mijn deel was nog lang niet af. Ik vond er iedere keer weer dingen bij. Oorspronkelijk waren we al blij geweest met één of anderhalf deel, maar na lang in mijn vrije tijd doorgewerkt te hebben werd de hele serie pas in 2015 gepubliceerd met zes delen bronnen betreffende de geschiedenis van de protestantse kerken en scholen in de Molukken. Twee delen Ambon, twee delen Ternate, de Minahassa, Manado en de Sangi Telaut archipel en één deel Banda. Daarnaast nog een deel met registers en een volledige lijst van publicaties in het Maleis. Dat alles staat online op de website van het ING Huygens. Het is gepubliceerd in de Rijksgeschiedkundige Publicatieën, de bekende RGP-serie waar ook de Generale Missieven in zijn verschenen en de memories van overgave van Ambon en ga zo maar door.

Dat zijn in totaal 2800 paginas met 6000 voetnoten aan VOC stukken, ingekomen brieven, meestal van de kerkeraden van Ambon, Banda en Ternate, ingekomen bij de kerkenraad van Batavia, correspondentie met de verschillende klasses en synodes in Zuid- en Noord-Holland en Zeeland. [Dit alles] Na een hoop gepuzzel en na een hoop gezoek, en na een hoop heel geduldig transcriptiewerk in Jakarta, waarbij ik vaak maar één kans had om de pagina om te slaan. Door de inktvraat en de verzuring is het heel lastig geweest om dat op een verantwoorde wijzig te bewerken en dat was dat was vaak een eenmalige exercitie, maar het meeste, je kunt zeggen 99,9% van alle documenten kon ik redden. Het is maar goed dat ik heb getranscribeerd want als het op het ANRI op de restauratieafdeling belandt, dan wordt daar nogal ruig mee omgegaan en dan is het aan het eind van de dag zo dat iemand met de veger de snippers in de vuilnis veegt. Die actie is gelukt, maar het heeft mij 19 jaar gekost om het goed te krijgen. Zoiets doe je maar één keer in je leven en wil je ook geen tweede keer meer doen eigenlijk.

Ondertussen had ik de de Molukken al eigenlijk heel ver achter mij gelaten. Ik ben nog wel een keer geweest in 2005 toen men op 23 februari het vierhonderdjarig bestaan van de Geridja Protestant Maluku, de GPM, vierde, maar sinds 2005 was ik er niet meer geweest.

Ik ben in 2005 programmaleider geworden van het grote VOC project van de Leidse Universiteit en het Nationaal Archief, het TANAP project “Towards A New Age of Partnership” en ik was verantwoordelijk voor zo’n 20 onderzoekers die ik mede had geholpen te rekruteren in een stuk of 15 landen in Azië. Het hele operatiegebied van de VOC. Daar hadden we contacten met vakgroepen geschiedenis en we hebben we in Leiden een aantal mensen opgeleid die prachtige dissertaties geschreven hebben over de geschiedenis van het Koninkrijk Siam, het Koninkrijk Ayutthaya, de hoofdstad Ayutthaya, de Filippijnen, China, Japan, Desima, verschillende studies over India, Gujurat, Sri Lanka en ook een stuk of drie, vier onderzoekers uit Indonesië.

Dat hele TANAP project had ik achter mij in 2007, u ziet ik ga even met een paar stappen door mijn loopbaan. Ik ben in 2008 begonnen met kleinere projecten voor de CORTS stichting in Jakarta, in het ANRI. Het VOC archief moest bijvoorbeeld nog fysiek worden omgenummerd. In 2009 heb ik deelgenomen aan het Erfgoed van de Oorlog project en heb ik documenten uit de Japanse tijd verzameld en in 2010 ben ik begonnen een “memorandum of understanding” voor te bereiden tussen de CORTS foundation en het Arsip Nasional in Jakarta. Daar ben ik een jaar mee beziggeweest. Ik moest eerst een NGO oprichten, en het moest gekeurd worden door allerlei ministeries, de inlichtingendienst, de politie, nog net de brandweer niet. Het was een heel lastige procedure, maar het lukte wel. Met de CORTS stichting hebben we twee keer een termijn van drie jaar kunnen krijgen om de VOC archieven te digitaliseren. De eerste jaren bestonden er vooral uit dat ik als een monnik alle marginalia uit de dagregisters van Batavia hebt zitten transcriberen. 5.500 pagina’s in Word, 125.000 records in Excel en als u op de website kijkt: www.sejara-nusantara.anri.go.id kunt u 1,1 miljoen paginas VOC archief online aantreffen met heel gedetailleerde toegangen in de vorm van de digitale marginalia uit de dagregisters in de oorspronkelijke delen, de registers op de resolutieboeken van de Gouverneurs Generaal en Raden, de zogenoemde Realia, en de bijlage daarop en nog een selectie uit die dagregisters, namelijk de diplomatieke brieven die we daarin aantroffen. U moet maar eens kijken op die website, die in de lucht hangt in Indonesië, dat is een massief stuk informatie uit de zeventiende en achttiende eeuw. Dat is de periode geweest van de CORTS stichting, van 2009, 2010 tot medio 2016.

Toen ben ik een half jaar interimdirecteur geweest van een Amerikaans coachingsbedrijf, Leadership Management International, LMI. Ik heb een een blauwe maandag een groep van 30 BCA bankdirecteuren gecoacht en ook het management van FrieslandCampina. Dat ging best aardig, het is weer eens iets anders. Maar na een half jaar dacht ik bij mezelf: deze materie is toch wel dermate gebaseerd op common sense dat dit een interessante exercitie is, maar het mij verder eigenlijk niet kan boeien. Ik moet weer iets met archieven doen.

Toen heb ik Gerard Mulder gebeld, die ondertussen De Ree Archiefsystemen in Groningen had overgenomen van Erik de Ree, u kent het misschien wel www.archieven.nl  de grote archieven website van Nederland, die gerund wordt in Groningen. Gerard Mulder is, is net als ik van 1964 en Emmenaar, we kenden elkaar niet, maar we hadden bij wijze van spreken in de jaren 70 in dezelfde disco kunnen staan. Hebben we geloof ik ook nog gedaan. Op mijn telefoontje reageerde hij zo enthousiast dat hij binnen twee weken in Jakarta arriveerde en we elkaar in een mall ontmoetten, en heel op z’n Drents elkaar heel droogjes groetten. Binnen een uur hadden we een samenwerking beklonken die er voortreffelijk uitziet en die er op neer komt dat ik een aantal klanten heb in Indonesië voor de software van De Ree, MAIS-Flexis, als archiefinformatiesysteem en voor MAIS Metadata Webservices als een front-end software  om online te publiceren. Daar is in 2019 nog bijgekomen i2S Copibook, een van de beste scanning systems ter wereld uit Frankrijk. Met De Ree archief systemen en i2S uit Frankrijk heb ik precies de combinatie die het Nationaal Archief ook gebruikt voor digitale conservering en bevind ik mij in een heel goede uitgangspositie om digitaliseringsprojecten op de meest professionele wijze te doen. Tot dusverre deed men wel eens wat met een digitale camera, maar er werd geen standaard gehanteerd voor digitalisering. Dat kunnen wij sinds anderhalf jaar, twee jaar  op precies hetzelfde niveau doen als  men het in Nederland doet. Daar hebben we een heel interessante projecten mee gedaan. We hebben een heel leuk project gehad in de kraton van Yogyakarta waar ik verantwoordelijk was voor de digitalisering van alle toegangen op de grote collecties erfgoed van de kraton. We werkten heel nauw samen met twee dochters van de Sultan, Gusti Bendara en Gusti Hayu, zelf een IT expert, en we hebben hen geholpen met het digitaliseren van ongeveer tien procent van de collectie Wajangs die in de kraton liggen, manuscripten en de museumcollecties die daar zijn. Daar gaan zij nu mee verder. Dat is een van de dingen die we hebben gedaan.

Nu trof het toeval dat, en nu kom ik weer in de Molukken dat ik eind 2019 opeens een telefoontje kreeg uit Ambon van mevrouw Hylkje Steensma de echtgenote van predikant Henk ten Napel. Zij waren op Saparua geweest en hadden in het kantoor van de Classis Saparua gezien dat het Classisbestuur bezig was geweest allerlei archiefdelen te verzamelen. Aan de telefoon was ook mijn collega Cornelis Alyona, de kerkhistoricus met wie ik in het verleden had samengewerkt en die ondertussen net gepensioneerd was als rector van de UKIM. Ik heb vervolgens contact opgezocht met de heer Huub Lems met wie ik in het verleden ook al regelmatig te maken heb gehad. Hij zit in allerlei stichtingen, is de voormalige financiële man van de PKN in Utrecht, het hoofdkantoor van protestantse kerken, bestuur van Kerk In Actie en nog wat andere stichtingen. Hij kwam direct over de brug met een aanvangssubsidie waarmee wij konden beginnen. Eerst eens kijken wat er ligt, hoeveel tijd het kost om te inventariseren, is het nog goed genoeg om te scannen enzovoort, enzovoort. Mijn vrouw en ik zijn daar naartoe gegaan en het was indrukwekkend wat wij aantroffen.

Toen wij in de jaren 90 daar waren met de programmaleider van de theologische universiteit in Kampen, destijds Pieter Holtrop en met Chris de Jong en een andere zendingshistoricus dr. Tom van den End uit Apeldoorn is het ons op één of andere manier niet gelukt archieven te vinden. Ik weet dat vanuit Nederland de heer Etmans daar ook actief is geweest in de jaren 90. Hij heeft ook één en ander verzameld en gefotokopieerd ook op de Banda eilanden. Dat is prachtig, want juist op die Banda eilanden is het archief in vlammen opgegaan tijdens de kerusuhan, de opstand, en wat Etmans destijds heeft verzameld is eigenlijk het enige wat wat er nog over is, op een restant na waar ik later nog op terugkom. Destijds is het ons niet gelukt om iets te vinden. Behalve Pieter Holtrop, toen hij in Saparua in de dienstwoning kwam van de kepala negri, de lokale overheid. Hij zag door een gat in het plafond allemaal oude archieven liggen die hij mee heeft kunnen krijgen: 32 delen archief van de Assistant-Resident van Saparua in dozen verpakt en dichtgetapet. Deze zijn vervolgens naar de bibliotheek van de UKIM gebracht in Ambon. Collega Cornelis Alyona, de kerkhistoricus die ik net noemde, had de dag voordat de campus in brand werd gestoken in het godsdienstconflict de tegenwoordigheid van geest om die archieven eruit te halen, alsook de archieven die wij hadden overgebracht van de kerk van Banda. Hij heeft deze thuis gelegd bij een neef, officier bij de Brimob (Korps Brigade Mobil) die hogerop in Soya Atas woonde. Dus bij toeval zijn die archieven toch nog bewaardgebleven.

Toen ik anderhalf jaar geleden weer in Ambon was vroeg ik aan Alyona waar de archieven waren die Pieter Holtrop destijds heeft gevonden en de Banda archieven die hij had gered uit de bibliotheek van de UKIM. Die bleken nog gewoon in de dependances van de UKIM te liggen en de 32 delen lagen nog gewoon bij hem thuis. Nog ongeopend nog precies zo dicht gegetapet als in 1997. Die dozen heb ik ook meegenomen naar Saparua en die zijn ook in het digitaliseringsproject meegenomen. Ondertussen hadden we ook een voorstel ingeleverd bij het Nationaal Archief en dat heeft het vervolg van het project hoofdzakelijk bekostigd.

U ziet op deze powerpoint slide het logo van ons bedrijfje AD, en een fragment van van die archieven.

Het begon ermee dat wij de veerboot van Ambon naar Porto op Saparua namen, dat ziet er ongeveer zo uit.

De scanner die wij ondertussen hadden aangeschaft, dat is een i2S Copibook, dat zijn grote apparaten en als je daar een fotootje van ziet dan denk je van nou, dat zet je zo op je bureau. Maar nee, het is een grote machine en ik heb daar vier flightcasings voor ontwikkeld in Jakarta door een bedrijfje dat ook apparatuur van Philips, van deze beschermende bekisting voorzag. En die fightcasings hebben we met Garuda overgevlogen naar Ambon en per speedboot naar Saparua gebracht. Dus dat  op zich was logistiek al best veel werk. Normaal zou je denken, dan breng je die archieven toch gewoon naar het scanapparaat en dat is natuurlijk ook handiger, maar in dit geval ging de classis daar niet mee akkoord en was het materiaal ook zo slecht dat je er niet aan kon denken om dat te gaan vervoeren. We waren allang blij dat het in de kerk kon worden verzameld.

Hier ziet u het dak van de veerboot en hoe we Ambon in de verte achter ons laten. En hoe we rechts het eiland Haruku zien.

Hier ziet u het gebouw van de classis. De dominees houden een enorm van paars daar op die eilanden. Dus het hele gebouw is ook in de paarse kleur geschilderd. Rechts vooraan, boven de ingangspartij is een kleine scansstudio ingericht. En als je op het achterbalkon staat, in feite staat dat gebouw pal op het strand en als de de vloed opkomt aan het eind van de middag, dan gaan de kinderen er allemaal zwemmen. Dus het is best afwisselend. Het ene moment sta je in de  scanstudio archieven te scannen, je doet 15 passen en je kijkt uit over de de zee. Wat wil je nog meer als historicus aan werkomstandigheden: met een speedboot naar je werk en op het strand staat de scanner. Ik vond het heel apart.

Hier ziet u hoe de Copibook wordt gemonteerd door Patrick Koh, de distributeur voor i2S in Zuidoost Azië, we hebben een hele testset meegekregen van het Nationaal Archief, met allerlei color checkers en software. Middels een online verbinding met Bordeaux, de fabriek van i2S, is alles precies geconfigureerd. Hij was in de fabriek volgens de richtlijnen van het Nationaal Archief geconfigureerd maar dat moet eigenlijk nog een keer opnieuw op het moment dat je met zo’n apparaat hebt gereisd. We zijn een dag beziggeweest met het testen, met het sturen van de testresultaten naar Den Haag en het online bijstellen van de configuratie.

Dit zijn twee foto’s, de stoeltjes staan niet scheef, maar er zijn twee foto’s die vaak bij elkaar staan. En hier ziet u Cornelis Alyona rechts achteraan en links achteraan ziet u Niken. De archiefdelen liggen hier op de tafels van de vergaderzaal van de dominees.

Hier zijn we bezig met met het openen van van de eerste delen: de man in paars is Zakaria ofwel Cak Sapulete, hij was destijds voorzitter van de Classis Saparua en sinds kort is hij algemeen secretaris van de synode van de GPM (Gereja Protestan Maluku) in Ambon. Dankzij Pendeta Cak Sapulete en de voorzitter van de klassis, Cak Tomasowa is dit allemaal goed gelukt.

Dit was in eerste instantie een initiatief van de classis zelf en we hebben een geweldige medewerking gehad ook op lokaal niveau om alles bij elkaar te zoeken. Dit was eigenlijk de eerste keer in de geschiedenis van de GPM dat er zoekacties werden gedaan in alle 34 classes van de GPM. In sommige gebieden konden we niet komen, zoals de Kei eilanden, alwaar  de classis Tual. Daar was de corona pandemie eigenlijk te gevaarlijk om naartoe te gaan, dus dat was voor reizigers afgesloten. Dus het is best mogelijk dat van bepaalde eilanden er nog materiaal bij komt.

Dit is zeg maar één van de bundels die je dan opent. Dat lijkt dramatischer dan het is, want het papier is toch nog wel stevig. Er zijn natuurlijk gaten ingevreten door de rayap. Dat is een termietensoort die onder de grond heel grote netwerken maakt, en bij bomen en gebouwen zich naar buiten graaft. Ze vreten hele houten constructies van gebouwen en huizen weg en als ze een archief tegengekomen en wordt dat ook in één keer meegenomen. Dus als daar een kolonie termieten bijkomt dan gaat het vrij snel.

Maar het papier blijft wel stevig, je kunt de pagina wel omslaan dan ziet het er zo uit en dan denk je van: ja, wat sla je dan om? Dat is vaak niet veel, maar als je 20, 30 paginas verder ben worden die gaten minder groot en dan krijg je vanzelf de hele pagina’s. Aan het begin denk je van oh, dit is gewoon half weggevreten maar dat valt eigenlijk reuze mee. Uiteindelijk is het zeg maar zon tien, 15 procent wat er zo uitziet en de rest is wel goed en ook op deze slechte paginas kun je nog informatie vinden. Daar staan nog een paar namen op. Zelfs op de ergste paginas kun je nog namen tegengekomen, dat kun je hier ook zien, ook op deze pagina staan nog namen. We hebben alles meegenomen.

Uiteindelijk hebben wij 463 delen gescand en konden we vijf delen niet scannen. Die waren te ernstig aangetast door de inktvraat. Dat is eigenlijk veel erger, dat valt dan echt uit elkaar.

Maar voordat je kunt kunt gaan scannen moet je alles in een definitieve inventaris doen. Idealiter. Dat was voor ons onmogelijk, want we wisten niet wat we nog meer zouden vinden. Dus wij moesten beginnen met scannen terwijl we nog op zoek waren naar archieven in allerlei kerken waar we nog niet geweest waren. Dus we hebben gescand op op voorlopige nummers. Dat heeft natuurlijk het grote nadeel dat je naderhand de inventarisnummers in alle bestandsnamen moet aanpassen, want de definitieve inventarisnummers moeten in de bestandsnaam. Het is extra veel werk. Idealiter dan staat alles in een definitieve inventaris voordat je gaat scannen.

Dit is een Daftar Sidi Jemaat Lilibooi een register van belijdenissen en een Daftar Kelahiran. Meestal heet het Daftar Pembaptisan (doopregister) maar in dit geval is het een wat jonger deel en heeft de lokale pendeta ook maar gelijk een geboorteregister bijgehouden.

Hier is Niken bezig het gruis te verwijderen van de pagina’s.Er werd met inkt geschreven en daarna werd er fijn zand op uitgestrooid en dat rolt alle kanten op in je scanner dus je kunt het maar beter eventjes behandelen voordat je het op de scanner legt.

Dit is een voorbeeld van een deel wat regelmatig geraadpleegd moet zijn geweest en waarbij de pagina’s in wanorde door elkaar liggen. Je moet ook tijd steken in het checken of het nog in de  oorspronkelijke volgorde ligt, in dit geval dus niet. Dan moet je toch een poging doen om het deel te reconstrueren. Soms zijn er inktgeschreven, paginanummers maar soms ook niet. Soms zijn ze weggevallen. We hebben de hulp gehad van een paar vicarissen om alles te folionummeren. Als alles zo veel mogelijk op orde is gebracht en gefolionummerd kun je gaan scannen.

Dit zijn de vicarissen van de GPM, die theologie studeren aan de UKIM en die allerlei taken moeten vervullen als vicaris in lokale kerken, meestal pastoraal en sociaal werk. Deze dames, die hebben geweldig geholpen met het folionummeren. Er zijn duizenden nummers die erin moeten worden geplaatst en ja, je valt halverwege in slaap en dan verdikkeme ben je weer een nummer vergeten. Of heb je weer een nummer dubbel gezet, of ben je van 231 naar 332 en dan sla je 100 paginanummers over, en dan denk je op het eind van o jee nou denkt iedereen dat deze bundel 531 pagina’s heeft en het is 431. Dus als je daar achter komt, dan ga je alles uitgummen, en dan doe je het overnieuw. We hebben er wel een korte controle op op gedaan en de eerste dagen moest af en toe iets over. Nou, dan baalden ze flink, maar het zet iedereen wel op scherp. Er zal af en toe nog best een foutje in staan, die zag je dan vaak bij het scannen oh, ja, dit klopt niet. Maar goed, de folio nummers komen niet in de bestandsnaam dus het is eigenlijk ook geen ramp. Maar ja, je wil het netjes doen.

Dit is de Copibook. Dit systeem heeft het grote voordeel dat het een live preview heeft. Dus je kunt je handbewegingen op het scherm zien en je kunt het frame rondom de pagina aanpassen. Je kunt ook net zoveel bestanden genereren als je wilt. Wij genereren standaard vier bestanden van één scan, twee bestanden voor de GPM en twee bestanden voor het Nationaal Archief, voor elk één TIF en één jpg. De TIF gaat naar de lange termijn opslag en de jpg kan worden geüpload.

Dit is op 400 dpi gedigitaliseerd maar de hoogte van de resolutie is eigenlijk niet zozeer bepalend. Dus het is meer de kwaliteit van de dpi en de consistentie. Rood moet binnen bepaalde parameters vallen. En zo niet, dan krijg je allerlei variabelen in een conserveringsbestand. Dit is digitale conservering, dit is niet zomaar scannen.

Heel veel mensen die denken nog dat scannen ja, dat is zoiets als je doet in een kantoor met een scanner, maar dat is voor records management. Dat is voor voor je administratieve back up. Je wil bijvoorbeeld een scan hebben van de financiele administratie of andere stukken, bijvoorbeeld ingekomen brieven, en die wil je een jaar of tien bewaren, niet alleen fysiek. Daarvoor wil je ook een scan voor hebben. Als back up bijvoorbeeld in een ander gebouw. Nou, daar zijn allerlei soorten scanners voor, maar dat is voor records management, dat is een hele andere kwaliteit.

Dit type scanners dat wordt genoemd een planetary book scanner. Planetary omdat er een hele ring van hardware omheen zit. Dat is bijvoorbeeld een boekenwip, die verstelbaar is. Dat kan een geautomatiseerde V-shaped book cradle zijn, waar je het boek op 90 graden in kunt leggen. En dan werkt hij met twee camera’s. Er is een automatisch belichting, een LED belichting. Daarbij hoort ook ingenieuze software, waar je bijvoorbeeld een anti-glare systeem in hebt, zodat je de glossy bladzijdes 100 procent zichtbaar kunt maken. Er zit  alles in zo’n planetary book scanner wat je nodig hebt voor digitale conservering, en dit dit type scanner is niet goedkoop. En het is daar ook twee keer zo duur dan in Nederland. Dat maakt het digitaliseren in Indonesië bij aanvang eigenlijk al duurder dan in Nederland, waar je grote scanbedrijven hebt die een heel machinepark hebben staan en waar je gewoon 50 of 100 meter naartoe kan brengen. Dus dit is best wel een dure exercitie geweest, maar ook omdat het heel tijdrovend is. Niken heeft een keer een uur bij één pagina gezeten waarbij ze met veel geduld de fragmenten bij elkaar gepuzzeld heeft. En toen moest die pagina natuurlijk ook omgekeerd worden. Dus toen heeft ze een stukje voor stukje, de zaak omgekeerd.

Je kunt niet zoals gebruikelijk, een productie halen van 800 of 1000 scans per dag, of een meter per week. 4-5 duizend scans per week haal je niet bij dit soort archiefmateriaal, dat gaat veel langzamer. Daar moet je echt de tijd voor nemen en daar moet je het geduld voor hebben. Je moet ook fysiek in staat zijn om een heel lange dagen achter de scanner te staan. Je kunt ook zitten maar je werkt de hele dag in dezelfde houding en dat is best een zware opgave om dat te doen. Je moet hoog gemotiveerd zijn om dit werk goed te doen en je moet je er ten volle van bewust zijn dat je maar maar één kans hebt. Je hebt één shot en niet opnieuw.

Je moet op dat moment het beste doen om een zo goed mogelijk facsimile te maken voor voor de toekomst.

Ik heb hier nog even op een rijtje gezet over welke archieven het gaat. Het gaat om de lokale archieven uit kerken die vielen onder de Molukse Protestantse Kerk, die dateert van de VOC periode, maar die kwam in, dat staat er even niet goed, in 1833 onder het bestuur van de Protestantse Kerk van Nederlands-Indië (PKNI), dat was een centrale en centralistische kerk, de opvolger van de kerken onder de VOC. Er was één bestuur gevormd en die vergaderden in een gebouwtje achter de Willemskerk, het vroegere Koningsplein nu Monas, daar staat nu de Gereja Emmanuel, en dat oude kantoortje van het bestuur over de Protestantse kerk van Nederlands-Indië staat er nog steeds. Daar viel die Molukse Protestantse Kerk onder. Daar kwamen in het begin van de negentiende eeuw de eerste zendelingen ook naar toe. Uitgezonden door het Nederlands Zendeling Genootschap. Een heel beroemde naam is natuurlijk Joseph Kam, de “Apostel der Molukken”, uitgezonden met hulp van de LMS, de London Missionary Society in 1814. Het was in de Napoleontische tijd, de tijd van het Britse en Franse tussenbestuur. De VOC was al bankroet, dat was in 1799. Je kon niet meer met vervoer uit Nederland, maar je moest met een Brits schip en dat deed Joseph Kam. Hij is uitvoerig op allerlei visitatie tochten geweest, en heeft een heel grote achterstand die er was in dopen en huwelijksbevestigingen geprobeerd in te halen. Het leuke is dat de alleroudste stukken die wij gevonden hebbendateren van de tijd van Joseph Kam. Ik ben een paar keer zijn handtekening tegengekomen en ook die van Jabez Carey, de zoon van de hele beroemde Engelse missionaris William Carey die in India werkte. Die heeft daar de eerste missie verricht en stichtte  de Baptist Missionairy Society. Jabez Carey is dan degene die in de Molukken komt en ja, misschien even leuk om te weten, er is nog een Carey en die heet Dr. Peter Carey en die is gepensioneerd Oxford historicus gespecialiseerd in de Java Oorlog, 1825-1830 en alles rondom Pangeran Diponegoro. Peter Carey is een goede collega, wij wonen op een steenworp afstand van elkaar, in Tangerang. Dus als je het over continuïteit hebt…

Lokale archieven, doopregisters, huwelijksregisters, belijdenisregisters. Die zendelingen, die werden uitgezonden, hebben natuurlijk heel veel gecorrespondeerd met het NZG, het Nederlands Zending Genootschap in Nederland of het UZV, het Utrechtse Zendingsvereniging  en nog een aantal kleinere genootschappen.

De koloniale staat keek daar toch vaak met een scheef oog naar want dat waren toch wel een beetje eigengereide lieden die zendelingen; die gingen het liefst hun eigen gang, waren ook vaak kritisch op het lokale gouvernement. Dan zie je dat in de jaren 50 en 60 van de negentiende eeuw steeds meer stemmen opgaan om de Protestantse Kerk van Nederlands Indië, de door de staat gesteunde kerk – die viel financieel onder het Ministerie van Onderwijs, Eredienst en Nijverheid – om die rol van dat bestuur groter te maken. Dat waren hele korte lijntjes tussen dat bestuur daar op het Koningsplein en het Ministerie van van Onderwijs en Eredienst. Daar werden ook de predikant benoemd en ja, waarom dan niet hulppredikers aanstellen, en dat gebeurde vanaf 1863. Toen zijn de eerste zendelingen hulpprediker geworden en zij kregen hun eigen resort waar zij zeggenschap kregen over de inheemse godsdienstleraars. Die hulppredikers hebben ook archieven gevormd. Zij waren bijvoorbeeld verantwoordelijk voor verzamelregisters. De lokale inheemse godsdienstleraren leverden kopieeën van hun doopregisters, huwelijksregisters en belijdenisregisters in bij de hulpprediker, bijvoorbeeld de hulpprediker op Haruku in Haruku, of die in Saparua of die op Nusalaut. En dan ging een assistent van zo’n hulpprediker een verzamelenregister maken. Uit alle kerken werden alle gegevens bij elkaar in één boek gekopieerd. Dat alles is vrijwel allemaal verloren gegaan. We hebben hier en daar nog een paar delen gevonden van een hulpprediker en die zijn heel interessant, want daarin kun je zien hoe hoe destijds is gewerkt. Dat [materiaal] geeft gewoon aan welke procedures er waren. Ook in de inventaris die ik heb gemaakt, heb ik iedere keer op het hoogste niveau [van de rubrieken van de inventaris] het archief van de hulpprediker genoemd.

Er zijn nog een paar andere interessante vondsten gedaan. We waren eigenlijk al in de derde fase van het project en we hadden de classisvoorzitter en -secretaris al ettelijke keren gevraagd: weten jullie zeker dat er in het oude classisgebouwtje helemaal niks meer ligt? Ja, dat weten we zeker. Hebben jullie gezocht? Ja, we hebben gezocht. Geen oude laatjes? En jawel, ergens werd een laatje opengetrokken en vonden we een prachtig dik deel van correspondentie van de lokale hulpprediker uit 1850 en 1852. Nou, dat zijn zijn werkelijk parels. En een deel notulen van de hulppredikers en een deel correspondentie van de jaren 60. Dat zijn unieke archieven waarvan je heel blij bent dat je ze hebt, want ze werpen ook weer licht op de procedures men volgde. Hoe werkten die mensen nou in zo’n kantoor van zo’n hulpprediker? Hoe correspondeerden ze met de voorzitter-predikant in Ambon die onder het bestuur van de PKNI in Batavia stond? Hoe zag de hiërarchie eruit?  Wie zijn de verantwoordelijkheden, wie doet wat, en op welke manier? En wat is daar nog [aan stukken] van over? Daar komt het eigenlijk op neer.

Er is nu zoveel nieuw materiaal bij gevonden dat er zo een paar nieuwe dissertaties geschreven kunnen worden op basis van dit nieuwe materiaal. Het archief van van de hulppredikers wat ik heb enigszins kunnen reconstrueren, het maakte deel uit van het archief van de Molukse Protestantse Kerk. Op het niveau van de lokale kerken.

Ook interessant is dat we op een gegeven moment belden met pendeta John Male in Tepa op het eiland Babar. Nu weet ik niet of u weet waar het eiland Babar ligt, maar dat ligt echt ver weg van Ambon dat ligt bijna tegen Oost-Timor aan, dat is zo’n beetje het laatste eiland van de Zuidelijke Molukken.

Dat eiland, Babar, dat heeft heel zwaar geleden tijdens de Japanse bezetting. Er zijn heel veel mensen vermoord. En wie schetst onze verbazing? Dat pendeta Male meedeelde: hier liggen nog een stuk of 30 delen met doopregisters, huwelijksregisters, belijdensregisters vanaf 1915, en hij stuurde wat foto’s mee vanuit zijn smartphone. Toen ik dat materiaal zag werd ik helemaal lyrisch natuurlijk. Dat waren voorbedrukte katernen, gedrukt in Ambon bij de lokale Ambonese drukkerij voor de kerk, dus alle kolommen enzovoort voorbedrukt. Uiteindelijk heeft Pendeta Maleh 52 delen gevonden.

Van vrijwel alle kerken onder die classis Babar zijn delen bewaard gebleven en dat is de enige bron waar alle familienamen van de bewoners van Babar in te vinden zijn, en wat eilanden daaromheen. Dat is een unieke vondst en een unieke omstandigheid dat we dat mee hebben kunnen nemen in dit project.

Ik ga straks ook nog iets over Seram zeggen en over Ambon maar eerst over de de tweede soort van archieven. Het archief van de assistant-resident van Saparua dat Pieter Holtrop aantrof op die zolder van de kepala negeri en dat bij Cornelis Alyona altijd thuis had gelegen en dat wij eigenlijk voor het eerst openden sinds de delen  door Pieter Holtrop in  dozen waren gestopt.

En dat zag er ontzettend vochtig uit in het begin, dit is een deel, je ziet aan de buitenkant, datdoor vocht half is vergaan. Als je het openslaat dan breekt het touw onmiddellijk. Maar wat je wel ziet is dat het netjes ingebonden is. Dan verwacht je eigenlijk dat degene die het ingebonden heeft of degene die dat deel heeft samengesteld er een zekere structuur en logica in heeft aangebracht, in die 32 delen. Maar dat is niet het geval. Het is een rommeltje en het is een chaos. Stukken uit 1920 en dan weer stukken uit 1875 en dan weer een paar stukken uit 1891. Het ligt allemaal door elkaar en er is geen touw aan vast te knopen. Je kunt die 32 delen niet voorzien van een beschrijving. Of je moet zeggen Verzameling stukken van verschillende aard, ergens tussen 1853 en 1950. Zoiets. Als je 32 van dat soort beschrijvingen wilt geven, ja, go ahead, maar daar kan niemand iets mee.

Ik dacht bij mezelf, het is Coronatijd, ik heb, ik heb wel even de tijd, er waren projecten weggevallen, en Niken heeft mij de JPGs van de scans via de Google drive doen toekomen en ik ben in een vrij lange exercitie van negen weken door al die 32 delen gegaan. Ik heb documentbeschrijvingen gegeven, soms een beschrijving van een groepje documenten, bijvoorbeeld akten van ondertrouw of belastingcohieren van dat type, comptabiliteit zoveel. Niken had alles al gefolionummerd, dus ik kon het folionummer meenemen in de documentbeschrijvingen. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in zo’n 1863 records in Excel, 1863 documentbeschrijvingen en soms groepsbeschrijvingen zoals ik het noem, maar soms ook beschrijvingen van individuele documenten. Er was eigenlijk geen andere methoden om dit goed doen. Of je doet het heel algemeen, maar dan maak je niet echt een goede toegang op zo’n unieke serie, of je gaat er toch doorheen en je probeert een soort van middenweg te vinden. En ik denk dat het goed is gelukt en dat je heel veel informatie er nu kunt uithalen. Ik heb gelijk ook kolommen gemaakt van plaatsnamen, de jaren, het type document, maar ook of het document in het Maleis was of in het Nederlands, en ook of het gedrukt was of een handgeschreven document. Daar kun je in de software van MAIS-Flexis en MAIS-(Meta)DataWebService prachtig op selecteren.

Bijvoorbeeld, ik wil alle documenten uit Kairatu tussen 1880 en 1910, alles wat van die plaats in Seram bewaard is gebleven. Dus je kunt erop filteren. Dat is  best wel een lange exercitie geweest, en het is ook vrijwilligerswerk geweest, maar heel bevredigend als je dat online terugziet. Dat geeft een prachtige toegang.

In die 32 delen zitten allerlei akten ondertrouw. Wat is daar het interessante van? De huwelijksbevestiging werd gedaan door de lokale hulpprediker, en er was geen uitgebreid ritueel voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, van de assistent-resident. Maar een stel dat wilde trouwen, moest daar wel eerst naar toe, met allerlei verklaringen, dat ze niet getrouwd zijn, een getuigenis van de inheemse godsdienstleraar, een briefje van de ouders, ik weet het allemaal niet meer zo uit m’n hoofd, maar achter zo’n akte van ondertrouw, onder de bijlagen, daar tref je gemakkelijk vijf tot tien briefjes aan en die zijn allemaal in het Maleis. Dus de akte van ondertrouw is in het Nederlands, die dan gearchiveerd werd op het kantoor van de assistent resident, maar de toestemming ging vervolgens naar de lokale hulpprediker en die bevestigde het huwelijk na een stuk of wat afkondigingen en dan werden de namen ingeschreven in het huwelijksregister. De akten van ondertrouw liggen nog steeds in het archief van de assistent resident. In die 32 delen, ik heb ze niet geteld, zijn het er zo een paar duizend plus al die briefjes en bijlagen. Dat zal straks toch een hele rijke bron blijken te zijn voor het onderzoek naar Molukse familienamen maar dan vooral op Saparua en Nusa Laut  en het  gebied van de Assistent-Resident, en een gedeelte van Seram. Er zijn twee complete delen van met akten van ondertrouw onder die 32 delen. Die waren voor mij dan ook het gemakkelijkst om te beschrijven dat was gewoon “Akten van ondertrouw” van dat jaar tot dat jaar.

Dit alles komt heel binnenkort allemaal online?,  zal toch iedereen vragen. Ja, wanneer kunnen we alles online bekijken? Laat ik daar even een paar dingen over zeggen. Deze archieven, en die zijn eigendom van de GPM-kerken en in laatste instantie  van de synode van de GPM. Dat is  de juridisch eigenaar. Ook een classis mag niet op eigen gelegenheid besluiten om dit archief te publiceren. Dat moet echt een besluit van de synode zijn. De vorige synode was daar heel voorzichtig over. In de nieuwe synode zitten de voormalige classisvoorzitter van Saparua en ook Pendeta Elifas Maspaitella, de voorzitter, die grote steunpilaren zijn geweest onder dit project. Dus als het aan hun ligt zal het ongetwijfeld gepubliceerd kunnen worden. Maar hier en daar op lokaal niveau, is er een lokale dominee die zich wat schuchter voelt en zegt, moet dat nou online? Er zitten ook archieven bij uit 1960 en 1970 en ook gewoon een heel pak papier over een schandaal uit de jaren 80.  Dus wij moeten hier voorzichtig naar kijken. Wat kunnen we wel of niet online zetten. In de software kun je dat aanvinken. Dus het proces van publicatie heeft nog even een paar stappen nodig, maar in principe heeft het Nationaal Archief al de toestemming van de synode van de GPM van vorige synodebestuur om het te publiceren. Het Nationaal Archief in Den Haag dat heeft dit project bekostigd samen met de Stichting Zendingserfgoed van Huub Lems en nog een steunstichting. Dus in principe mag het Nationaal Archief in Den Haag gaan publiceren.

We nemen daar even de tijd voor om dat in goed overleg te doen. Dat heeft nog even een paar stappen nodig. Het archief van de assistant-resident beschouwen we als een privécollectie, dat valt niet onder de kerkelijke archieven. Het ligt nu wel in het classiskantoor, maar het is destijds weggegeven aan het Pieter Holtrop. Het heeft bij Cornelis Alyona thuis gelegen en er ligt geen claim op van de overheid, dus wij beschouwen dat gewoon als een privécollectie, dus dat heeft ook geen toestemming nodig van de GPM. Dat kan al heel snel online verschijnen. Dus dit voor wat betreft de publicatie. Het kan snel gaan als de synode van de GPM de komende maanden aangeeft, we vinden het prima, we zijn er klaar voor, dan staat het snel online. Maar ik heb tegen het Nationaal Archief gezegd, tegen de programmaleider van het Gedeeld Erfgoed programma, het zou ook buitengewoon aardig zijn om daar volgend jaar gewoon een event van te maken met allerlei gastsprekers en genodigden en daar gewoon even een feestje van te bouwen, want dit is wel een hele unieke omstandigheid omdat zoveel archieven bij elkaar gezocht konden worden en vervolgens online te zien. Ik hoop ik dat de IGV bij het event betrokken zal worden, dat zou voor jullie ook buitengewoon leuk zijn om daarbij betrokken te zijn. Ja, dat komt denk ik ook wel goed. Dus dit even over: wanneer komt het online?

Niken kwam op 26 november vorig jaar terug van de derde fase. Wij hebben in het midden van het jaar maanden moeten wachten. Eerst op het einde van de lock down in Jakarta. Vanwege de lock down in Jakarta konden we niet naar Ambon vliegen en zes, zeven weken later ging op Ambon lock down in. Dus mocht je wel in Jakarta weer vertrekken, maar je mocht op Ambon niet landen. Dus wij moesten wachten tot augustus, september tot we weer verder konden. Toen heeft Niken op de airport van Ambon Corona opgelopen waar ik ook door werd aangestoken. Dus we hebben Corona gehad, allebei in december, een paar weekjes zeg maar van gelukkig milde verschijnselen. Zij is in januari weer teruggegaan zich nog onzeker voelend over een aantal kerken. Hebben wij nou echt alles gezien. In alle kerken waren we één keer geweest, in een aantal kerken twee keer, en dat tweede bezoek leverde  hier en daar nog wat op. Dus waarom dan niet nog één allesomvattende ronde waarbij we ook Ambon meenamen. Ambon was best lastig, want daar zijn tijdens die godsdiensttwisten kerken en moskeeeën in brand gestoken. Dus wat Ron Habiboe in zijn Silsilah Maluku heeft genoteerd, hij heeft destijds al een eerste inventarisatie gedaan, één en ander wat daarin staat dat is er al niet meer.

Maar toch is het gelukt om nog weer nieuw materiaal te vinden. Ook op Ambon. Op de foto is zij met een kleine speedboot om Haruku heen gevaran. Je gaat dan gewoon met met een speedboot van het ene dorp naar het andere. Je land op het strand of een klein aanlegsteigertje. Je loopt op een drafje naar de kerk, de pendeta is al gewaarschuwdvanuit het classiskantoor en er staan al wat mensen klaar. En het is van nou, nee, nee, hier ligt niks meer, en is er ook een zolder. Ja, ja, maar ja, die is vies en daar komt nooit iemand en zo of ja, is er nog een oude kast maar die is ook vies, daar ligt rommel in, enzovoort. En dan stond ze erop om daar  toch in te kijken. In geval van de kerk van Hutumuri en ook Itawaka op Saparua kwamen er nog zo’n vijf tot tien delen plotseling te voorschijn. En dat was tijdens de derde ronde. Ongelooflijk. Zij was ook niet eerder tevreden. Zij heeft alle kerken van Haruku nog een keer bezocht, vervolgens alle kerken op Saparua en daarna weer met een speedboot naar de Nusa Laut omalles nog  een keer te checken en iedere keer kwam daar nog weer wat te voorschijn.

Ze ging rond met allerlei brieven van de synode en is ook met steun van de synode met de ferry naar Seram gegaan, naar plaatsen als Elpaputih, Amahai, Piru. en ook daar kwam materiaal naar boven. Ook heel interessant: we vonden nog een deel doopregisters van het eiland Boano, dat ligt westelijk van Seram. Dan heb je verderop nog Buru maar daar is de situatie voor Christenen na de Kerusuhan (rellen) erg slecht, we hebben daar geen zoekacties ondernomen, maar op Seram is het nog één en ander gevonden.

Hier is dan zo’n lokaal kerkje waar op tafel wordt uitgestald wat er nog is, met een medewerker van de classis met zijn paarse dienstshirt aan.

Er is geen enkel moment geweest in die ruim een jaar durende exercitie dat er lokaal tegenstand was, of kritiek of onwil. Er is geen enkel moment aan te wijzen waarop het niet goed ging. Het is ongelooflijk hoe de mensen hebben meegewerkt en hoe enthousiastze waren. Het hielp juist dat je als buitenstaander het werk doet en het ook professioneel doet. Dus de foto’s gingen natuurlijk heel snel rond via de smartphones, hoe we te werk gingen en dat schiep ook veel vertrouwen. De informatiecampagne die tegelijkertijd plaatsvond vanuit het synodekantoor van de GPM te Ambon was ook goed.

Dit is Itawaka, waar op het laatste moment nog ettelijke delen boven water kwamen. Die plaatsligt op Noord Saparua, je kijkt vanuit Itawaka naar Seram. Dat is een van de dorpen die helemaal plat is geschoten door de marine, tijdens de opstand van Pattimura in 1817. Dat is toch wel een heel traumatische gebeurtenis geweest, die verwoestende acties van het koloniale regime. Daardoor is te verklaren dat er niks meer is van voor 1817. Ook op Seram zijn reeksen dorpen in brand geschoten en daarbij gingen ook de kerken in vlammen op. Daarbij zijn heel veel archieven in brand gevlogen. Nusa Laut niet, omdat daar hte lokale leiderschap zoals dat in de bronnen heet “zich vernederde” voor het gouvernement, en daar is de verwoesting gespaard gebleven.

Het oudste document dat we hebben aangetroffen dat is van Haruku en dat is een stuk uit 1714 dus uit de VOC tijd, uit de vroege achttiende eeuw, door een lokaal VOC opperhoofd geschreven, dat zat zo ergens tussen de delen.

Dit zijn een paar van de rekken waar we het materiaal verzameld hebben in de scanstudio. Dat moet nu nog fysiek omgenummerd worden en dat moet ook nog voorzien worden van zuurvrije omslagen en zuurvrij lint en dat moet nog in goede dozen verpakt. Het Nationaal Archief in Den Haag heeft een plan in de maak om daar nog iets aan te doen en het synodebestuur van de GPM heeft ondertussen al een vergevorderd plan om op het eiland Saparua een klein archiefdepot neer te zetten op een stukje grond achter de pastorie, eindje weg van het strand, beetje in een heuvelachtig terrein, dus dat is een veilige omgeving en daar zijn ze al mee bezig, ook financieel.

Nog een paar afbeeldingen van het scannen.

Dan komen we nu nog even bij die Banda eilanden waar ik het in het begin over had. Een heel gek verhaal waarvan je denkt van hoe verzinnen ze het? En waarvan ikzelf altijd denk van hoe komt het dat ik dat altijd weer moet meemaken? Op een een of andere manier heb ik daar een soort aura voor dat ik weer in een één of andere avontuurtje beland.

Nou dit ging zo. De archiefstukken hebben wij in 1997 van Banda naar Ambon gehaald. Wat waardevol was van de archieven in de kerk van Banda Neira. Daar lag ook een hele hoop bij, waarvan we dachten daar doen we niet zoveel mee, dat is niet geschikt voor een bronnenpublicatie. Financiële journalen of alle diaconiebriefjes en -verslagen, dat is meer van hetzelfde. Daar kun je misschien een exemplarisch stuk van publiceren, maar niet alles, dus daar viel al een aantal meters af. Maar er waren de notulen van de kerkenraad en de correspondentie en wij hebben ook allerlei ingekomen en uitgaande brievenboeken naar eilanden rondom de Banda eilanden meegenomen. Dus bijvoorbeeld correspondentie tussen de predikant van Banda en de hulpprediker van Kei en ettelijke inheemse godsdienstleraren. Die zijn niet meegenomen in de bronnenpublicatie van Mariëtte van Selm, maar die stukkenzijn in de bibliotheek van de UKIM blijven liggen en na de godsdienstconflicten zijn al die Banda-archieven ook weer vanuit het huis van die Brimob-officier weer naar de bibliotheek van de UKIM gebracht.

Toen wij het materiaal uit die UKIM bibliotheek haalden en naar Saparua brachten, dacht ik: waar zijn nou die notulen? Die originelen, die moeten zijn. Er waren wel wat stukken van het kerkraads- en classisarchief van Banda maar we zagen ook: er mist nogal wat, en waar is dat? Niemand die daar een antwoord op wist.

Wij hebben het project afgerond, we hebben de scanner gedemonteerd en weer in de vier flight casings gedaan en we hebben die scanner naar Yogyakarta overgevlogen voor een project op de Universitas Kristen Duta Wacana, de UKDW, waar we een samenwerking hebben met de theologische faculteit. De oude bibliotheek en het archief van de universiteit. Wij hadden daar de scanner nog niet geinstalleerd of ik kreeg plotseling een e-mail van een collega uit Londen, van de British Library, met daarin de mededeling: Henk, ik kreeg een email van een zekere Tonny uit Indonesië en die biedt en kerkraadsarchief aan van Banda voor 275 miljoen roepia, ruim 16.000 euro. Dat is een archief wat loopt ongeveer van 1863 tot 1925. Ik heb dat maar afgewimpeld, zegt die collega, want mij lijkt het dat dit gewoon een zwarthandelaar is. In de volgende mail gaf ze antwoord aan die Tonny, een man uit Bogor, en nam zij mij mee in de correspondentie, in de cc, en daarmee had ik ook de e-mailadresvan die man. Een dag later kreeg ik e-mails van verschillende instanties uit Nederland, de Universiteitsbibliotheek Leiden en ook het Katholiek Documentatiecentrum was benaderd, het hoofdkantoor van de Protestantse Kerk in Nederland was benaderd en zo nog een aantal bibliotheken en instellingen. Systematisch werden ze benaderd met de vraag van: dit is prachtig, materiaal, geschiedenis van de zending, enzovoort. Wij hebben direct contact opgenomen met de synode van de GPM, want het is hun materiaal dat is ontvreemd uit de bibliotheek van de UKIM. Het is eigendom van de GPM.

We hebben contact met die man gezocht, en hebben hem ontmoet. Hij had de stukken bij zich, het was geen 100 meter, zoals hij stelde. Hij had gedacht dat als je alle velletjes afzonderlijk naast elkaar legt dan kom je uit op 100 meter archief. Op een stapeltje was het ongeveer 15, 20 centimeter en we hebben een afspraak met hem gemaakt. Hij heeft een een bedragje gehad en wij mochten het dan van hem lenen en digitaliseren. Hij wilde het niet teruggeven aan de GPM, en wilde ook niet precies vertellen hoe hij eraan was gekomen. Een vaag verhaal van ja, tien jaar geleden, enzovoort. Ik heb nog een online videoverbinding gemaakt met de synodevoorzitter, met wie hij ook heeft gesproken. De synodevoorzitter heeft hem heel beleefd gevraagd of hij de stukken wilde teruggeven voor een onkostenvergoeding, een hele nette regeling, maar dat wilde hij niet. Hij had toch de grote bedragen nog op het netvlies staan. Maar gelukkig mochten we het lenen en we hebben het alsnog op de UKDW in Yokjakarta kunnen digitaliseren. Het is bij elkaar bijna 900 scans, dus een mooi aantal scans met heel interessante brieven. Ook nog wat wat schoolverslagen uit 1915, lijstjes van schoolbehoeften, absentielijsten van leerlingen, inkomende stukken bij de kerkenraad van Banda. Ik ben heel erg blij dat we dat alsnog hebben kunnen meenemen, eigenlijk na afloop van het hele project.

De toegangen die staan al online op www.arsip-indonesia.org, dat is de Indonesische versie van archieven.nl. Daar is de hele toegang van het archief van de van de kerk van de Gereja Protestant Maluku, het Arsip Lama, het oude archief.

Wij beheren die website. Dit is  onze website, van DE REE in Indonesië. We hebben ook een kleine fotocollectie aangelegd. Daar zal ongetwijfeld nog meer bijkomen. Ook de toegang op hetarchief van deAssistent Resident te Saparuastaat hier online. En als je daarop klikt zie je ook al die records die ik in die negen weken heb aangemaakt en hoe je kunt filteren. De scans zitten er denk ik nog net niet bij, maar je kunt zien, het zijn 1863 nummers.

Als alles online staat, staan er naar schatting 42.000 scans online en één scan is vaak twee paginas. Als je nagaat dat op één pagina van een doop- of huwelijksregister tientallen namen staan, dus als je dat keer, ik noem maar iets 30.000 doet, kom je tot honderdduizenden namen. Cumulatief, over een periode van 150 jaar ongeveer. Met veel materiaal uit de negentiende eeuw.

Het unieke is dat er geen enkel ander gebied in Indonesië is waar zoveel lokaal bewaard is gebleven. En er is ook geen enkel ander voorbeeld van een archief van een assistant-resident. De archieven die in het ANRI in Jakarta liggen zijn allemaal residentie-archieven. Op het niveau van een assistant-resident is bij mij weten geen enkel archief bewaard gebleven. Dat archief van Saparua is dus van grote wetenschappelijke betekenis. Er is net een oud-medewerker van mij gepromoveerd op een boek over het belastingrecht van Nederlands Indië, Maarten Manse, twee weken geleden gepromoveerd aan de rechtenfaculteit in Leiden en die werd helemaal wild bij het zien van zo’n archief van een assistant-resident, want daar zit heel veel belastingarchief in. Je kan er uit afleiden hoe zo’n assistent resident persoonlijk langsging bij al die dorpen en onderhandelde met het dorpshoofd hoeveel belasting er betaald moest worden, vooral ook na de afschaffing van de herendiensten in 1863De  gedwongen leverantie van kruidnagel is in dat jaar afgeschaften daarna moest er belasting worden betaald. Ja, hoeveel dan? En door wie? Dat is een langdurig proces van onderhandelingen geweest en daarbij zijn heel veel formulieren ingevuld die vanuit het kantoor van de assistent-resident of controleur van de belastingen naar Ambon werden gestuurd. Naar het comptabiliteitskantoor en van daar naar de directeur van financiën in Buitenzorg. Dus dat archief van die assistent-resident, dat is volstrekt uniek en wetenschappelijk heel belangrijk. Daar zal nog heel wat interessants uit komen qua analyse van hoe ontwikkelde de koloniale staat zich? Wat heeft het belastingstelsel betekent voor sociale ongelijkheid? Is dat een instrument van onderdrukking geweest of heeft het iets opgeleverd in termen van economische ontwikkeling? Het was gebeurd met de kruidnagelen cultuur en ze hebben het geprobeerd met cacao en vanille en andere producten. Heeft de Molukse samenleving daar ook iets aan gehad? Daar is  eigenlijk gek genoeg nog weinig over bekend. Is zo’n gebied eind negentiende eeuw zoveel slechter af dan begin negentiende eeuw? Of wat is de vergelijking met de VOC-periode? Hoe ziet structurele onderontwikkeling eruit? Of is er geen onderontwikkeling? Nou, over het algemeen is het beeld dat er onderontwikkeling is geweest, zeker in vergelijking met Java. Het is een ook hele andere economische ontwikkeling geweest. Maar dat heeft ook te maken met de greep van een assistent-resident, van de lokale overheid, op de lokale samenleving. Daar heeft het in eerste instantie mee te maken en tot dusverre zijn er bijna geen studies die gebaseerd zijn op lokaal materiaal waar je concreet iets uit kunt afleiden. Dit is één hele grote uitzondering.

Dit is de laatste slide, ik wilde iedereen even uitzwaaien.

Maarten Fornerod: Applaus. Heel hartelijk dank voor deze fantastische lezing. Ik zou willen beginnen met de vraag hoe we deze unieke gegevens verder op tekstniveau kunnen ontsluiten. Via digitale handschriftherkenning? Of kunnen vrijwilligers, bijvoorbeeld van de IGV, hierbij nog een rol spelen?

Henk Niemeijer: Ja, dat is denk ik de spijker op z’n kop, gelijk de goede vraag en dat is natuurlijk ook een vraag die wordt gesteld door de mensen van het programma Gedeeld Erfgoed, van het Nationaal Archief. Hoe gaan we dit nu verder ontsluiten met een beschikbare software als Transkribus? Dat is niet in eerste instantie onze taak. Wij doen het pionierswerk en het grondverzetwerk, en wij banen een pad en vervolgens moeten anderen daar maar op gaan lopen. Zij moeten de straat maar maken en aanleggen. Zo kijk ik er naar. Ik zou het geweldig vinden als de Indische Genealogische Vereniging dit zou oppikken, in samenwerking misschien met het Moluks Museum en de Molukse gemeenschap, met vrijwilligers. Dit is een prachtige klus om aan te pakken. Hier kunnen heel veel mensen iets aan hebben. Er zijn ook dingen te regelen met met ons hoofdkantoor DE REE archiefsystemen, daar is heel veel IT-deskundigheid aanwezig. En MAIS-Flexis heeft ook een transcriptie-tool die die jullie misschien kennen. Er kan in de software worden getranscribeerd. Vrijwilligers kunnen inloggen op het systeem. Kijk daar ook eens naar, wat de mogelijkheden zijn in MAIS-Flexis. Kijk eens op archieven.nl, daar heb je ook een chatfunctie in zitten. Nou precies hetzelfde kunnen we op arsip-Indonesia ook doen. Als het wenselijk is, kunnen we ook een deel van het project in Indonesië doen met de vrijwilligers. Softwarematig kan dat. Het ligt natuurlijk voor de hand om dat in eerste instantie in Nederland te doen, omdat hier al ontwikkelingen in gang zijn gezet. Je hebt hier al projecten gedaan maar daar is alles volstrekt nieuw, maar ik denk dat het op zich niet een onaardige gedachte is om er mensen bij te betrekken in Ambon en Saparua zelf, want daar is wel belangstelling. Daar zijn mensen die heel erg geïnteresseerd zijn in hun eigen familiegeschiedenis en  dan breng je alle belangstellenden bij elkaar.

Nick Posthumus: Mag ik mijn vraag even toelichten Arthur? We hebben net eerder geconstateerd dat we zien ook dat linksboven van deze lezing, die zeer interessant is, dank daarvoor, een opname is gemaakt, ik kan mij nog meer voorstellen dat mensen graag een digitale transcriptie hebben, omdat er ook verschillende websites en dergelijke genoemd zijn, waarbij mensen hebben zitten meeschrijven, ik heb het voor een deel ook gedaan, maar ik denk dat een transcriptie daarom erg nutig kan zijn.

Henk Niemeijer: Ik heb op die twee toegangen zeer uitvoerige inleidingen geschreven. Per toegang, een stuk of tien, 15 paginas en daar staat ook heel veel informatie in. Wat ik net oplepelde als historische informatie, met jaartallen en en ontwikkelingen, enzovoort staat ook allemaal in de inleiding. Daar staat ook een een samenvatting in van wat voor Molukkenprojecten er in het verleden zijn geweest, zoals dat van de THUK en het initiatief van Ron Habiboe, en ook een korte samenvatting van hoe dit project is verlopen en een soort van schets. Dus in die inleiding staat ook heel veel. Die staan nu nog niet online, maar die worden op termijn van een paar weken zichtbaar op de website.

Peter Hermanus: Maarten, dan ik nog even. Ik heb in 1985 de hele kerk van Banda overhoopgehaald om de grafschriften en de grafzerken daar te inventariseren. En daarbij kwam ik dus ook de archieven van de kerk tegen, een totale puinhoop ik heb toen verzocht aan mijn kennissen daar om ervoor te zorgen dat dat in redelijke staat zou worden teruggebracht en ik ben in 1989 teruggegaan na de uitbarsting van de Gunung Appi en nadat ik een stichting had opgericht, stichting Brug naar Banda mijn vraag nu is, de stichting is nu opgeheven, maar ik heb een donatie gemaakt naar de IGV voor een publicatie over Banda. Is met het materiaal wat nu beschikbaar is, is het mogelijk om daar nog een nieuwe publicatie van te maken? Ik heb hier wel eerder contact over gehad. Eén van onze leden, Ad Lans is bezig met een boek over de Perkeniersfamilies van Banda. Dat valt dan buiten de IGV. Maar is er dan voor die donatie die gegeven is, de mogelijkheid om een nieuwe, verse publicatie over Banda te maken?

Maarten Fornerod: Nou, het lijkt me een hele goede besteding van die donatie om te helpen om dit materiaal verder te ontsluiten. De andere vraag kan ik niet beantwoorden, die kerk in Banda dezelfde is.

Henk Niemeijer: Ja, dat dat betreft hetzelfde archief, wat ik voor het eerst heb gezien in 1993, en toen heb ik met de toenmalige classisvoorzitster, mevrouw Sopakua, het op orde gebracht en daar heb ik ook een plaatsingslijst van gemaakt. Die heb ik nog, en op basis van die plaatsingslijst heeft Mariëtte van Selm naderhand een goede inventaris gemaakt. Mariëtte van Selm werkt op dit moment aan de Universiteit van Amsterdam. Zij gaat over research en datamanagement. Het was destijds het proefschrift van haar, haar Banda publicatie. U kent haar boek?

Peter Hermanus: Nee, helaas niet.

Henk Niemeijer: Oké, nou, die staat er ook in mijn inleiding vermeld en dat boek is ook onlineraadpleegbaar. Ze heeft na publicatie van haar boek een transcriptie van alle notulenboeken verzorgd en die staat ook online. Dus er is wel één en ander al gepubliceerd.  Het is natuurlijk jammer dat die notulenboeken er niet meer zijn, dat de originelen weg zijn. Hoewel we het overgebracht hebben naar Ambon voor de transcriptie en publicatie, zijn ze uit de bibliotheek van de UKIM verdwenen en voor een deel op de zwarte markt gekomen. Maar die 900 scans die ik heb gemaakt, daar zit ook nog heel veel interessant materiaal tussen en dat is nog niet verwerkt door Mariëtte dus dat is allemaal nog materiaal dat verwerkt zou kunnen worden in de nieuwe online publicatie.

Peter Hermanus: Nou, ik, ik hoop dat dat lukt. Ik heb helaas niet de gelegenheid om daar nog weer heel erg actief aan mee te doen vanwege mijn leeftijd, maar ik ben heel benieuwd.

Maarten Fornerod: Gezien de tijd zou ik willen voorstellen om de vergadering te sluiten en nogmaals, Dr. Niemeijer heel erg te bedanken.

DNA is vergevingsgezind

0

In de 15 augustus 2021 herdenkingskrant van de Moesson schrijft Jessica Antonio een artikel waarin zij zich afvraagt of Indisch trauma ergens in ons DNA opgeslagen ligt (Tabula Rasa, Moesson juli/aug 2021 bijlage p. 10). Zij verwijst hierbij onder meer naar dit artikel wat eerder gepubliceerd werd in Indies Tijdschrift (2021#1, p. 28). Met toestemming van Indies Tijdschrift herpubliceren wij het hier on-line.

Bij elke generatie wordt het menselijke DNA vrijwel helemaal gewist van invloeden van buitenaf. Hoe kan het dan dat trauma’s vele generaties via het DNA kunnen worden doorgegeven? Eigenlijk heel simpel, dat kan niet.

Je leest het overal: invloeden van buitenaf, goede maar vooral slechte, kunnen het DNA veranderen. Epigenetica wordt dit genoemd. En deze veranderingen kunnen van geneatie op generatie worden doorgegeven, via het DNA. Tot misschien wel acht generaties lang. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld trauma’s van eeuwen geleden nog doorwerken in de huidige tijd. Er lijken zich coachingspraktijken rond dit thema te ontwikkelen, die specifiek gericht zijn om het DNA te ontdoen van de slechte invloeden. Door middel van voeding of gerichte therapie.

De biologie van het DNA is mooi maar ingewikkeld. In de eerste plaats is DNA een code, die van generatie op generatie wordt doorgegeven. Het kind is een mix van de codes van vader en moeder, maar wat voor een mix is toevallig. Je krijgt precies de helft van elk van je ouders, in mosaïkvorm, maar welke helft weet je niet. Welke mix je krijgt is niet afhankelijk van omgevinginvloeden zoals kou, honger, angst of een ander soort trauma.

Bovenop die DNA code ligt nog een tweede code, die wel beïnvloedbaar is door de omgeving: de epigenetische code. Deze tweede laag bestaat uit chemische veranderingen aan het DNA, in het figuur weergegeven door gekleurde bolletjes. Elke keer als de cel zich deelt, worden deze “bolletjes” ook gecopieerd, vandaar de naam “genetica” in “epigenetica. Deze tweede laag erft ook over bij de celdeling en is wel beïvloedbaar door omgevingsfactoren.

Maar, er is een grote maar, de epigenetische code wordt helemaal gewist bij het aanmaken van geslachtscellen. Zowel bij de mannelijke als de vrouwelijke. Dit is anders in het plantenrijk, waar de epigenetische code vaak wel stabiel naar nieuwe generaties overerft.

Transgenerationeel

Is daarom overerving van invloeden en ervaringen via het DNA van de ene geneatie naar de andere – transgenerationele overerving – bij de mens onmogelijk? Zeker niet. Door invloeden van buitenaf op de moeder kan het DNA van het ongeboren kind epigenetisch worden veranderd, en kan hij of zij daar een leven lang last van hebben. Een bekend voorbeeld is het DES hormoon, wat in de jaren 40 tot 70 van de vorige eeuw werd voorgeschreven aan zwangere vrouwen, ten onrechte, weten wij nu. Bij kinderen die tijdens de zwangerschap aan dit “medicijn” werden blootgesteld is het DNA op bepaalde plaatsen epigenetisch veranderd, wat invloed kan hebben op het leven als volwassene. Verhoogde kans op bijvoorbeeld zwangerschapscomplicaties en kanker. Ook slechte voeding tijdens de zwangerschap heeft nadelige invloed op het nageslacht, zowel ernstige ondervoeding, bijvoorbeeld tijdens de hongerwinter van 1944-1945, als overmatige voeding, waar wij tegenwoordig last van hebben.

Stelselmatige onderdrukking kan ongetwijfeld ook een epigenetische afdruk achterlaten in het DNA van het ongeboren kind, en zodoende worden doorgegeven op een volgende generatie, met mogelijke nadelige gevolgen in de rest van het leven. Voorbeelden van dit soort onderdrukking in een Nederlands – Indische context zijn de slavernij tot ca. 1870 en de Japanse interneringskampen in de Tweede Wereldoorlog. Als zo’n onderdrukking wordt opgeheven is er bij de tweede generatie vrijwel geen epigenetisch effect meer. Hooguit kunnen de al in het embryo ontwikkelende geslachtscellen epigenetisch nog iets doorgeven naar een derde generatie, maar daarna houdt de invloed echt op.

Uiteraard kunnen ervaringen nog wel via cultuur doorgegeven worden, en dit kan veel langer spelen dan twee of hooguit drie generaties. Maar er bestaat geen DNA-doem die van generatie op generatie epigenetisch wordt doorgegeven. Het DNA is vergevingsgezind. Als het aan het DNA zou liggen zijn alle trauma’s na twee, maximaal drie generaties helemaal gewist. Misschien geeft het DNA ons wat dat betreft een voorbeeld, en moeten wij ook onze boosdoeners na twee, maximaal drie generaties vergeven.

Verder lezen

Edith Heard en Robert A. Martienssen. Transgenerational Epigenetic Inheritance: Myths and Mechanisms. Cell, Volume 157, Nr. 1, 27 maart 2014, Pagina 95-109.

https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0092867414002864

Fantastische lezing Dr. Hendrik E. Niemeijer op ALV

0

Op zaterdag 19 juni gaf Dr. Hendrik E. Niemeijer een lezing over digitale conservering van o.a. kerkregisters op de Molukken. Meer dan 500 kerkboeken en andere archieven zijn opgespoord, soms per speedboot, en op Saparua gescand. Binnenkort komen de eerste scans on-line. Sommige archieven doken op in oude laatjes, op stoffige zolders, en een collectie van 32 delen is op miraculeuze wijze bewaard gebleven in een privéhuis. Een grote hoeveelheid doop- en trouwaktes dook op in de Barbar-archipel, met talloze Molukse familienamen vanaf 1915. De lezing is hier als transctiptie beschikbaar voor IGV leden.

Ook de ALV zelf verliep goed. Leden kregen een voorproefje van de nieuwe Indische Navorscher, het bestuur kreeg décharge voor het financiële beleid en bestuursleden Arthur Fickel en Maarten Fornerod werden herkozen in het bestuur. Contributies voor 2022 blijven ongewijzigd. Binnenkort komt ook de opname van de ALV voor leden beschikbaar.

Dr. Niemeijer is historicus, en vanaf 1993 bezig met archiefonderzoek in Indonesië. Hij woont in Tangeran, Jakarta, Indonesië.

Vrouwelijke Indische In’tvelds (X). Het gezin van Mathilda Josephine In’tveld en Andreas Michael Pfeiffer

0

In een reeks artikelen wordt nader ingegaan op de vrouwelijke leden van de Indische familie In’tveld, hun echtgenoten en – met name – hun kinderen.

In dit artikel wordt ingegaan op het gezin van Mathilda Josephine In’tveld en Andreas Michael Pfeiffer. Het geslacht Pfeiffer was afkomstig uit Nassau. Eind 18e eeuw vestigden de eerste leden van deze familie zich in Nederland, waar zij op den duur tot het patriciaat gerekend weren.

U kunt de pdf hier vinden.

Register van het Europees personeel op Java en Madoera in 1819

0

Twee nieuwe Bronnenpublicaties zien het licht, deel 30 en 31.

door Leo Janssen

Bij genealogisch onderzoek naar voorouders in Nederlands-Indië kwam Dennis van der Jagt via een zoekmachine terecht op de website van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) waarop zich een databestand bevindt van Europeanen die zich in 1819 op Java en Madoera bevonden. Deze registratie, formeel getiteld: ‘Registers van het Europese personeel op Java en Madoera, alsmede van hun mannelijke afstammelingen boven de zestien jaren. Opgemaakt 1 januari 1819. Ingezonden bij brief van de gouverneur-generaal dd. 3 januari 1831 nr. 3’ berust in het Nationaal Archief te Den Haag onder de inventarisnummers 3106-3125.

Bij nadere beschouwing van dit bestand viel het hem echter op dat bij de plaatsen Batavia en Djokjakarta familienamen beginende met bepaalde letters leken te ontbreken. Bij Batavia betrof het de letters N tot en met Q, terwijl bij Djokjakarta de letters H tot en met Z niet aanwezig waren. Vergelijking met de originele bron in het Nationaal Archief leerde dat deze letters daar wel aanwezig waren. Het totale bestand, 20 delen die, aaneengesloten, zo’n anderhalve meter lengte bedragen, werd daarom door hem in zijn geheel gefotografeerd en ingevoerd in de computer, waarvan het resultaat nu in twee deeltjes “Bronnenpublikaties” verschijnt.

Omdat weergave in een spreadsheetbestand met rijen en kolommen niet realiseerbaar is in boekvorm, is de informatie als tekst achter de naam van de betreffende persoon geplaatst. Hierbij zijn tevens de weergave van namen en plaatsen nogmaals kritisch bekeken en zijn in voorkomende gevallen de voor genealogisch onderzoek relevante informatie over echte of onechte kinderen, niet altijd overgenomen in het IISG-bestand, toegevoegd. Ook is de ontbrekende opgave van Europeanen te Soerakarta opgenomen. Hierbij dient overigens wel nadrukkelijk de kanttekening te worden geplaatst dat het uitgangspunt van het IISG was om Europese migratie naar Nederlands-Indië te verduidelijken en het, in tegenstelling tot de IGV, geen specifiek genealogisch doel voor ogen had.

De informatie in de registers van het Europees personeel zullen ongetwijfeld zijn samengesteld uit schriftelijke opgaven die door de betreffende personen dienden te worden ingeleverd en vervolgens werden overgeschreven op alfabetische lijsten per stad. Indien hierbij in aanmerking wordt genomen dat in die tijd ten eerste de spelling nog niet was gestandaardiseerd, waardoor namen van personen en plaatsen min of meer fonetisch werden opgeschreven, en ten tweede dat bij het overschrijven van de namen in de ingeleverde opgaven naar de definitieve totaallijsten ongetwijfeld overschrijffouten zijn gemaakt, is het duidelijk dat namen, vooral die in de index op familienamen, met de nodige fantasie dienen te worden geraadpleegd. Ondanks deze onvolkomenheid blijft deze registratie van grote waarde voor Indisch genealogisch onderzoek omdat ze mogelijk interessante gegevens kan bevatten over stamvaders die naar Java kwamen, waaruit later Indische geslachten ontstonden.

U kunt de de nieuwe Bronnenpublicaties bestellen in onze webshop, in druk of digitale vorm. De indexen zijn daar gratis in te zien. Met de opbrengsten financieren wij nieuwe publicaties.

Recent Nieuws