Nationaliteit

Homepagina Forums Restricted content Algemeen Nationaliteit Nationaliteit

#3000
DmdecalonneDennis de Calonne
Participant

Hoewel ik, in verband met mijn promotieonderwerp, goed in de staatsrechtelijke ontwikkelingen van de West- en Oost-Indische koloniën zit, ben ik op het onderdeel Nederlanderschap en ingezetenschap geen deskundige. Ik zal toch een poging doen.

Het is namelijk een complexe zaak. In Nederlands-Indië kon je de bevolking in verschillende groepen indelen, elk met verschillende rechtsposities: Europeanen en Inlanders en met één van die twee groepen gelijkgestelden. Die indeling en bijbehorende rechtspositionele verschillen waren gebaseerd op het Regeringsreglement van Nederlands-Indië, zeg maar de Grondwet voor dat overzeese gebiedsdeel.

In het RR 1854 was ook een hoofdstuk gewijd aan het ingezetenschap (hoofdstuk 6).

Artikel 107 RR 1854 stelde dat onder Nederlanders werden verstaan, hen die dat waren volgens “de wetten van het Koningrijk.” De Wet op het Nederlanderschap, die ook voor de onderdanen in de kolonies regelde, is echter pas van 1892. Voor die tijd (1850-1892) bleek uit het Nederlandse Burgerlijk Wetboek wie Nederlander was (Boek 1, titel 2: “Van nederlanders en vreemdelingen”). Klik hier voor de tekst daarvan.

Artikel 109 RR 1854 geeft aan wie werden gelijkgesteld met “Europeanen” en “Inlanders”. Zo werden met Inlanders gelijkgesteld: “Arabieren, Mooren, Chinezen en allen die Mohammedanen of heidenen zijn”. De Gouverneur-Generaal kon besluiten hier van af te wijken.

Terugkomend op de vraag. Uit boek I artikel 6 onder 1 Burgerlijk Wetboek (zoals geldend in 1850) zou je kunnen afleiden dat elk kind geboren in Nederlands-Indië Nederlander was, of althans niet werd gezien als vreemdeling. Ik heb echter het gevoel dat er meer achter zit. Mogelijk kom ik daar binnenkort op terug, na raadpleging van wat literatuur (als iemand anders mij al niet voor is).

Zie voor de periode na inwerkingtreding van de Wet op het Nederlanderschap in 1892 dit stuk van Patricia Tjiook-Liem.